Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Havik Accipiter gentilis

Foto: Louis Westgeest

Indeling

Accipitridae [familie]
Accipiter [genus] (2/2)
gentilis [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

In 53% van de atlasblokken is de Havik een zekere of waarschijnlijke broedvogel. Broedgevallen zijn meestal niet moeilijk vast te stellen, getuige ook het hoge aandeel zekere broedgevallen (80%). In de 70 blokken waarin de Havik alleen als mogelijke broedvogel is geregistreerd, zal de soort - voor zover het niet om matig onderzochte blokken gaat - doorgaans niet tot broeden zijn gekomen.

De Havik is vrijwel overal aan te treffen waar bossen voorkomen, ook als het om kleinere en geïsoleerd liggende bosjes gaat. Het is in dit kader opvallend dat broeden nog steeds niet met zekerheid is vastgesteld op het eiland Terschelling. Verder ontbreekt de soort alleen in de zeer open gebieden van de noordwestelijke helft van Nederland, het rivierengebied en in grote verstedelijkte gebieden (al waren er vijf succesvolle broedgevallen in Amsterdam in 1997; Marcus 1998). Voor zover het ontbreken in deze gebieden een gevolg is van de absentie van bos, valt een (verdere) uitbreiding hier niet te verwachten.

Het territorium van de Havik omvat minimaal enkele honderden hectares. Het leefgebied van individuen die in (zeer) kleine bosjes broeden, strekt zich uit tot ver over de omgeving. Haviken jagen tot op 3 km of meer van hun nest. De kortste afstand tussen bewoonde nesten in goed bezette gebieden bedraagt ongeveer 1 km. Bij de incidenteel gerapporteerde veel geringere afstanden van 250 m betreft het mees­tal kleinere bossen of bosranden waaromheen grote geschikte jachtgebieden liggen. Omdat Haviken zeer territoriaal zijn en zulke grote territoria hebben, ligt het voor de hand dat het aantal vastgestelde broedparen per atlasblok nergens boven de tien uitkomt. In de grote en doorgaans voedselrijke bosgebieden van Nederland (Fries-Drentse Woudengebied, Midden-Drenthe, Veluwe, Utrechtse Heuvelrug, Noord-Hollandse duinen, zuidelijk en oostelijk Noord-Brabant,  Noord- en Midden-Limburg) worden 4-10 paren per blok aangetroffen (27% van de bezette blokken). In het merendeel van de Nederlandse atlasblokken is er blijkbaar te weinig bos voorhanden, en in sommige grotere bossen mogelijk te weinig voedsel voorradig, om meer dan drie paar Haviken te kunnen herbergen.

Veranderingen

Het verspreidingsgebied heeft zich in de afgelopen 25 jaar op het niveau van atlasblokken ruim verdrievoudigd. Slechts in een enkel blok is de soort in deze periode verdwenen als waarschijnlijk of zekere broedvogel.

Ten tijde van de vorige broedvogelatlas was de Havik nog herstellende van een enorme inzinking in de jaren zestig, veroorzaakt door het gebruik van niet-afbreekbare gifstoffen in de landbouw. De sterke uitbreiding van het verspreidings­gebied van de Havik sinds de jaren zeventig geeft aan dat het herstel krachtig heeft doorgezet, zozeer zelfs dat de soort momenteel een ruimere verspreiding heeft dan ooit eerder in de 20e eeuw. Tevens geeft de uitbreiding aan dat er destijds veel geschikte leefgebieden voorkwamen die nog onbezet waren, en dat er ook nieuwe leefgebieden zijn ontstaan. Een gebied is geschikt voor de Havik indien er voldoende voedsel voorhanden (en bereikbaar) is en er opgaand bos voorkomt om in te nestelen. De hoeveelheid bos is in Nederland de laatste eeuw sterk toegenomen en ook de voedselsituatie is, op zijn minst tot voor kort, verbeterd. Tegelijkertijd is de (illegale) vervolging van roofvogels, met name de Havik, in de laatste decennia afgenomen. Het zou vroeger vrijwel ondenkbaar zijn geweest dat Haviken succes­vol in kleinere, goed toegankelijke bossen konden broeden vanwege conflicten met het jachtbeheer, postduivenhouderij of andere vormen van dierenhouderij. Overigens zijn er ook tegenwoordig nog hier en daar vervolgingshaarden. Voorts is de toename van de Havik in sommige lang bezette gebieden, vooral op de zandgronden, in de jaren negentig omgebogen in een lichte afname, waarschijnlijk een gevolg van verminderd prooiaanbod (Bijlsma et al. 2001).

De trend in Nederland, met een verdrievoudiging van de po­pulatie sinds medio jaren zeventig, vindt een parallel in de aangrenzende gebieden. Zo zijn de aantallen in het Rijnland in Duitsland bijna verdubbeld in de periode 1978-96, waarschijnlijk mede onder invloed van het jachtverbod in 1970. Sinds 1996 nemen de aantallen echter weer licht af (Kostrzewa et al. 2001).

Aantallen

De schattingen per atlasblok komen uit op 2600 paren, wat te hoog zal zijn. Zo zijn in de atlasblokken waarvoor een schatting van 4-10 paren gemaakt is (en waarvoor het rekenmodel een gemiddelde van 6,3 aanhoudt), in werkelijkheid vaak maar 4-5 paren aanwezig. Uitgaande van een conservatieve interpretatie van de gemaakte schattingen wordt de Nederlandse broedpopulatie in 1998-2000 op 1800-2000 paren becijferd. Rond 1977, aan het eind van de vorige atlas­periode, ging het om 500-600 paren (Bijlsma et al. 2001). 

Bron

Auteur(s)

Muskens, G.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-20005: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.