Overslaan en naar de inhoud gaan

Porseleinhoen Porzana porzana

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Rallidae [familie]
Porzana [genus] (1/1)
porzana [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

In 14% van de atlasblokken is het Porseleinhoen geregi­streerd, waarvan in ca. 80% als waarschijnlijke of zekere broedvogel. In de blokken waar de soort mogelijke broedvogel was, kan het ook om doortrekkers gaan. Het is niet geheel duidelijk in hoeverre de kaarten volledig zijn. Deze heimelijk levende nachtvogel behoort immers tot de probleemsoorten voor inventarisatie. Aanwijzingen voor broeden, doorgaans aan de hand van het kenmerkende territoriale zweepslaggeluid, kunnen eigenlijk alleen tussen zonsondergang en -opkomst worden verzameld. Daarnaast bestaat er een grote mate van onvoorspelbaarheid ten aanzien van waar en wanneer de soort opduikt. De kaarten zullen dus niet geheel compleet zijn, terwijl tegelijkertijd de verspreiding per jaar minder omvangrijk is dan de cumulatie van drie jaren suggereert.

Verspreidingsclusters bevinden zich vooral in gebieden waar uitgestrekte moerassen, plassen en meren liggen, zoals langs de Friese IJsselmeerkust, in het midden en zuiden van Friesland, de Kop van Overijssel, Flevoland en de Zaanstreek in Noord-Holland. De verspreiding in het rivierengebied is, op het noordelijk deel van de IJssel na, aan de magere kant. In de rest van het land is de soort matig vertegenwoordigd (bijvoorbeeld Drenthe, Twente en Zeeuws-Vlaanderen) of ontbreekt hij nagenoeg. Het grootste deel van de zandgronden is - met zijn droge bossen, heide, en intensief agrarisch cultuurlandschap - ongeschikt voor het Porseleinhoen. Ook in de open zeekleigebieden is de soort schaars, met enkele uitzonderingen zoals rondom oude, goed geconserveerde kreken in oostelijk Zeeuws-Vlaanderen.

Driekwart van de bezette blokken herbergt 1-3 paren, hetgeen illustreert dat de soort binnen zijn verspreidingsgebied een overwegend schaarse verschijning is. Slechts in enkele blokken zijn tijdens de atlasperiode meer dan 10 paren vastgesteld, zoals langs de Friese IJsselmeerkust (Makkumer­waard, tevens kleinere aantallen tot aan Stavoren, 17 paren in 1998; Kleefstra 2000), in het Lauwersmeer (14 in 2000; Kleefstra & Jager 2000), langs het Zwarte Meer, in het Drentse Bargerveen (14 in 1998; van Dijk et al. 2000) en de moeraszone van de Oostvaardersplassen (max. 16 in 1998-2000; Beemster et al. 2002). Opvallend in voornoemde categorie zijn de atlasblokken in de Westerbroekster madepolder bij Hoogezand en De Tjamme bij Beerta, in het verder met Porseleinhoentjes slecht bedeelde open kleigebied van Groningen. De best bezette gebieden vertonen een opmerkelijke landschappelijke variatie, van hoogveengebieden tot natuurontwikkelingsterreinen en moeraszones rondom grote meren. Dit suggereert dat de bodemsoort niet zoveel uitmaakt, en vooral de aanwezigheid van permanent ondiep water en natte ruigtevegetaties cruciaal is. In de Oostvaardersplassen vertoont de soort een voorkeur voor jonge rietvegetaties in 10-35 cm diep water (Beemster et al. 2002).

Veranderingen

De actuele verspreidingskaart laat, vergeleken met die van de voorgaande atlas, een positief verschil zien. Ofschoon de soort het in 44 blokken af liet weten, werd hij nieuw vastgesteld in 125 blokken. Voor een deel betreft dit verschuivingen, beter onderzoek of toeval. De jaarlijkse aantallen kunnen immers sterk fluctueren, alleen al vanwege het grillige verloop van de waterpeilen in potentiële broedgebieden. Zo varieerden de aantallen territoria in de moeraszone van de Oostvaardersplassen in 1987-2000, als gevolg van manipulatie van het waterpeil, van 2-60 (Beemster et al. 2002).

In 1999, na een zeer natte herfst en winter, waren de waterstanden overal in Nederland (zeer) hoog. Dit kan in sommige gebieden hebben gezorgd voor nieuwe broedhabitat; omgekeerd zal sommige habitat door te hoge waterstanden juist ongeschikt zijn geworden. De in steekproefgebieden getelde aantallen staken dan ook niet unaniem positief af ten opzichte van andere jaren (van Dijk et al. 2001b). Late inundaties van de uiterwaarden in mei-juni, niet zelden gevolgd door een flinke influx van het Porseleinhoen (van den Bergh & Helmer 1984), kwamen in beide atlasperiodes niet voor.

Het valt echter te betwijfelen of de ruimere verspreiding een incident is, alleen het gevolg van toevallig gunstige omstandig­heden. In vergelijking met 1973-77 valt het op dat de soort verschenen is in een aantal veen- en heidegebieden in Friesland, Drenthe, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg. In verschillende van deze terreinen is de waterhuishouding recent verbeterd, waardoor deze door verdroging geteisterde natuurgebieden langer water vasthouden. Voorts zijn in het afgelopen decennium op vrij grote schaal moerasontwikkelingsprojecten geïnitieerd. Ook deze maatregelen hebben plaatselijk tot een uitbreiding van broedhabitat geleid. Of en in welke mate genoemde inspanningen, gericht op herstel van natuurwaarden, duurzaam zullen bijdragen tot een stabiele populatie van het Porseleinhoen, moet worden afgewacht. De keuze voor en toepassing van het juiste beheer is hierbij waarschijnlijk essentieel.

Aantallen

In de atlasperiode omvatte de Nederlandse broedpopulatie van het Porseleinhoen naar schatting 150-300 paren. Mogelijk is dit wat laag geschat. Deze moeilijk te traceren en vrij onvoorspelbare nachtvogel wordt immers gemakkelijk onderteld. Schattingen in de jaren zeventig en tachtig liepen uiteen van 100-300 paren in ongunstige jaren tot 800-1100 tijdens een influx.

Bron

Auteur(s)

Jager, K.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.