Overslaan en naar de inhoud gaan

Meerkoet Fulica atra

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Rallidae [familie]
Fulica [genus] (1/1)
atra [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet brak marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Stabiel
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Meerkoeten zijn vastgesteld in 91% van de atlasblokken. Aangezien het voorkomen eenvoudig is vast te stellen, zal het kaartbeeld in hoge mate met de werkelijkheid overeenkomen.

In het Utrechts-Hollandse laagveengebied, de noordelijke veen- en zeekleigebieden en het rivierengebied broedt de soort in vrijwel ieder atlasblok. De enige aaneengesloten gebieden waar Meerkoeten nagenoeg ontbreken, zijn de Veluwe en het Zuid-Limburgse Heuvelland. Kleinere gaten in het verspreidingsbeeld komen ook elders op de hoge gronden voor. Vergeleken met het Waterhoen is de Meerkoet in Flevoland talrijker. De Meerkoet is minder gebonden aan weelderige oever­begroeiing en kan beter uit de voeten langs diep bemaalde en met steile oevers omgeven kanalen en vaarten. Het omgekeerde is het geval in het zuiden van Limburg, waar beken en kleine wateren onvoldoende omvang hebben voor Meerkoeten, maar wel geschikt zijn voor het Waterhoen.

Meerkoeten zijn het talrijkst in de klei- en veengebieden van Groningen en Friesland, Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en het rivierengebied. Meer lokale kerngebieden zijn ook elders terug te vinden, zoals in de Drents-Groningse veen­koloniën en de Midden-Limburgse Maasplassen. Op de hogere zandgronden zijn de dichtheden zeer laag, al bereikt de Meerkoet soms in steden nog een redelijke dichtheid. De brede duinen van Noord-Holland komen als relatief Meerkoet-arme gebieden naar voren, met uitzondering van de drinkwater-infiltratiegebieden. In het Deltagebied laat de Meerkoet een verbrokkeld beeld zien, met goed en slecht bezette gebieden naast elkaar. De brakke wateren hier worden slechts in een geringe dichtheid bewoond. Ook de Waddeneilanden herbergen relatief weinig Meerkoeten, met lokale uitzonderingen in de eilandpolders.

Veranderingen

Ten opzichte van de vorige broedvogelatlas is de verspreiding duidelijk verruimd. Gaten in het kaartbeeld van de jaren zeventig in Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant zijn inmiddels opgevuld. Langs de Groningse kust is eveneens enige uitbreiding zichtbaar, net als in het Volkerakmeer in het Deltagebied. Ook sommige vanwege geringe oppervlakte niet in de veranderingskaart opgenomen blokken hebben inmiddels hun Meerkoeten. Een voorbeeld zijn drie nieuw bezette blokken langs de Houtribdijk tussen Lelystad en Enkhuizen, waar aan de voet van de dijk inmiddels rietbegroeiing is opgekomen of gestimuleerd.

In een aantal streekavifauna’s wordt gemeld (overigens zonder goede documentatie) dat de Meerkoet in toenemende mate is gaan broeden in kleinere sloten (Ruitenbeek et al. 1990, Vergeer & van Zuylen 1994, van den Brink et al. 1996). Hetzelfde geldt voor de bezetting van steeds kleinere wateren; in dit opzicht heeft zand- en kleiwinning op de zandgronden voor toegenomen broedmogelijkheden gezorgd. De verbreding van de habitatkeus - waarschijnlijk onder druk van een groeiende populatie, waardoor ook marginalere plekken moesten worden bezet - verklaart een deel van de sinds de jaren zeventig verruimde verspreiding. Voorts heeft de Meerkoet in toenemende mate zijn schuwheid afgelegd. In stedelijk gebied zijn openlijk broedende Meerkoeten tegenwoordig gebruikelijk, zelfs op plekken waar in het voorjaar rietkragen worden gemaaid. Het weer uitgroeien van het riet zorgt ervoor dat de nesten binnen twee weken aan het oog worden onttrokken. Nesten op in het water gestorte kerstbomen, fietsen en winkelwagentjes tonen aan dat de Meerkoet als cultuurvolger zijn best doet. Molest van nesten wordt deels opgevangen door tot in augustus vervolglegsels te produceren. Het is overigens onduidelijk of de in stedelijk gebied broedende vogels voldoende nakomelingen produceren voor een zich zonder instroom van buitenaf handhavende populatie.

De Meerkoet zit al sinds de jaren zestig in de lift, waarbij de toename in de jaren negentig is afgevlakt. Strenge winters als in 1978/79 leveren slechts een tijdelijke terugslag. De afname na strenge winters is sterker in het agrarisch gebied dan in de moerassen. Dit geeft aan dat de Meerkoet van oudsher een moerasvogel is waarvoor andere habitats van secundair belang zijn. De toename is, buiten de reeds genoemde facto­ren, deels te verklaren door eutrofiëring. Hierdoor ontstonden de voedselrijke(re) plekken waar de Meerkoet goed gedijt. Voorts spelen andere factoren waarschijnlijk een rol, zoals verbeterde winteroverleving door bijvoedering, toe­name van de driehoeksmossel, verzoeting in het Deltagebied (Bijlsma et al. 2001), vernatting van natuurgebieden en mogelijk verminderde jachtdruk.

Aantallen

Uitgaande van atlasgegevens en bmp-cijfers zouden er rond 170.000 paren in ons land zijn, wat misschien aan de hoge kant is (schatting: 130.000-180.000). In 1973-77 ging het om 50.000-80.000 paren.

Bron

Auteur(s)

Eggenhuizen, T.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.