Overslaan en naar de inhoud gaan

Appelvink Coccothraustes coccothraustes

Foto: Jankees Schwiebbe

Indeling

Fringillidae [familie]
Coccothraustes [genus] (1/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Stabiel
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Benoorden de Grote Rivieren zijn Appelvinken wijd verspreid in vrijwel alle bosgebieden. Bezuiden de rivieren deto­neert de Noord-Brabantse leegte ten opzichte van de ruime bezetting in Limburg. Deze schaarste is al geruime tijd bekend (Post & Ongenae 1990, Poelmans & van Diermen 1997) en sluit aan op bevindingen in aangrenzend Vlaanderen (Gabriëls et al. 1994). De weinige paren zitten hier in de landgoederen en natuurgebieden langs Dommel en Beerze, in mindere mate in warandes, begraafplaatsen en kloostertuinen in stedelijk gebied (Vught). In de West-Nederlandse binnenduinrand zijn Appelvinken spaarzaam vertegenwoordigd, zo ook in Zuidoost-Groningen, Noordwest-Friesland (houtwallengebied ten zuiden van Dokkum), Zuid-Friesland (inclusief Gaasterland) en het oostelijk rivierengebied. Het kwantitatieve beeld laat zien dat de soort in de meer beboste delen van het land bepaald niet schaars is, met uitzondering van Noord-Brabant. Goed bezette gebieden liggen in Drenthe, Flevoland, zuidelijk Salland, Twente, de Achterhoek, de Veluwe, het Rijk van Nijmegen, Noord-Limburg tussen Mook-Venlo, Leu- en Swalmdal in Midden-Limburg en de Zuid-Limburgse hellingbossen. Een dichtheid van 11-25 of 26-100 paren per blok is hier gewoon. Een hogere dichtheid is, naast één blok in Twente (Singraven tussen Oldenzaal en Denekamp) en twee blokken in Zuidelijk Flevoland (Horsterwold), alleen op enige schaal van de Veluwe bekend, al is lokaal misschien wat enthousiast geschat.

De genoemde streken verschillen sterk van elkaar. In Dren­the en Zuidoost-Friesland gaat het om landgoederen en oudere boswachterijen uit de eerste helft van de 20e eeuw, waar zowel (middel)oud loofbos (mits veel zomereik aanwezig is) als lariks- en grove dennenbos (licht gemengd met beuk of zomereik) worden benut. Dit wijkt af van de meer traditionele habitats in de oude landgoedbossen en beekbegeleidende bossen in Twente en de Achterhoek, en de hellingbossen in Zuid-Limburg. Op de Veluwe hebben Appelvinken een voorkeur voor oudere, gemengde opstanden en de oude loofhoutgordel langs de zuid- en oostrand. Dit type habitat wordt ook gevonden op de Utrechtse Heuvelrug en in het Rijk van Nijmegen. Lage dichtheden in deze regio’s verwijzen naar ongemengde dennenbossen, uitgestrekte heide­velden, zandverstuivingen of cultuurland. Volstrekt hiervan afwijkend zijn de polderbossen van Flevoland en Wieringermeer. Deels aangelegd op rijke zavel- en kleibodems, en beplant met een voor Nederlandse begrippen ongekende variatie aan loofboom- en struiksoorten, hebben deze bossen zich binnen 10-15 jaar na aanplant ontwikkeld tot sublieme appelvinkenhabitat met een uitbundig aanbod van zaden en bessen. Reproductie en - waarschijnlijk - overleving zijn hierdoor aan de hoge kant (Bijlsma 1998b). Een opmerkelijk polderverschijnsel is de vestiging van Appelvinken in - veelal jonge - tuinen en groenvoorzieningen in dorpen en steden in Flevo­land, iets wat nergens in Nederland op zo’n schaal werd geconstateerd.

Veranderingen

Vergeleken met 1973-77 is de blokbezetting in 1998-2000 ruim verdubbeld (+125%). Dat komt vooral door opvulling van lacunes in Drenthe, Overijssel, de Achterhoek en Noordoostpolder, kolonisatie van Oostelijk en Zuidelijk Flevo­­­land en Zuidoost-Friesland, een westwaartse uitbreiding in Midden-Limburg en de sprong naar de binnenduinrand, Wieringermeer en Gaasterland. Des te merkwaardiger is het uitblijven van een kolonisatie van Noord-Brabant. De aarzelende toename in aantal en verspreiding in de jaren tachtig en begin jaren negentig (100-180 paren in 1988; Poelmans & van Diermen 1997) is hier in de atlasperiode in zijn tegendeel verkeerd. Gezet naast de reële uitbreiding in de westelijke delen van Midden-Limburg (in drie gebieden van 43 paren in 1991-92 naar 134 in 1998-2000; B. van Noorden pers. med.), is dit een curieuze ontwikkeling. Niet alle ‘zware jongens’ (Post & Ongenae 1990) als Bosuil, Boomklever en Appelvink gedragen zich dus hetzelfde; de verschillen in ecologie zijn kennelijk groter dan de vermeende overeenkomsten. Overigens zijn er ook uit andere gebieden aanwijzingen voor afname in de tweede helft van de jaren negentig, zoals in Drenthe en op de Veluwe (vanaf 1997, met verdwijning uit puur naaldbos; R.G. Bijlsma, W. van Manen & R.L. Vogel ongepubl.), in Flevoland (in jaren negentig afname met 12-19% in Noordoostpolder en 44-65% in Zuidelijk Flevoland; R.G. Bijlsma, W. van Manen & R. Veldkamp ongepubl.) en in de Zuid-Limburgse hellingbossen (-27% ten opzichte van 1987-90; F. Hustings ongepubl.). De sterkste groei werd in de tweede helft van de jaren tachtig gemeten, volgend op irrupties in 1984/85 en 1985/86 en dus wijzend op factoren buiten Neder­land (Bijlsma et al. 2001). Zo op het oog is Nederland alleen maar geschikter geworden als broedgebied (ouder wordende bossen, grotere menging van boomsoorten, aanleg loofbossen). Misschien moeten we daarom de recente afname eveneens zien in het licht van ontwikkelingen op Europese schaal.

Aantallen

Eerdere schattingen kwamen uit op 3000-4500 paren in 1979-83, 9000-12.000 in 1985-86, en meer dan 15.000 halverwege de jaren negentig (Bijlsma et al. 2001). De opgaven per atlasblok komen uit op ruim 10.000 paren in 1998-2000. Gezien de recente afname is 8000-10.000 paren reëel.

Bron

Auteur(s)

Bijlsma, R.G.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.