Overslaan en naar de inhoud gaan

Keep Fringilla montifringilla

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Fringillidae [familie]
Fringilla [genus] (2/2)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Op zonnige ochtenden in april kunnen we massaal groepszang horen van mannetjes Kepen die zich oppeppen voor het naderende broedseizoen. Deze, vanwege de nasale en zagende uithalen niet lekker in het gehoor liggende zang doet enigszins aan die van een Groenling herinneren. Pas wanneer deze trekkers verdwenen zijn, blijkt of er broedvogels achtergebleven zijn. In 1998-2000 zijn in 7% van de atlasblokken Kepen in het broedseizoen opgemerkt. Hierbij gaat het hoofdzakelijk (65%) om mogelijke broedgevallen. Tot deze categorie behoren vooral meiwaarnemingen van mannetjes met een grijze kop en een wat smoezelig prachtkleed. Deze ‘grijskoppen’ zijn soms nauwelijks te onderscheiden van vrouwtjes, en kunnen zowel mannen in het tweede kalenderjaar betreffen als vogels met een lagere sociale status (Lõhmus & Silverin 1999). Mogelijk verdwijnen deze mannetjes later in mei alsnog. In enkele tientallen blokken hielden zich in de atlasperiode langere tijd territoriale Kepen op, soms ook paren. Dergelijke vogels zijn beschouwd als waarschijnlijke broedvogels, al zal het veelal eerder om late trekkers of overzomeraars gaan dan om broedvogels. Deze blokken vinden we vooral in de bosrijke streken van de hogere zandgronden. Op de Veluwe is zelfs uit één op de vijf blokken een waarschijnlijk broedgeval gemeld, wat een frappant contrast vormt met de landschappelijk enigszins vergelijkbare Utrechtse Heuvelrug. De overige meldingen stammen vooral uit Drenthe, Oost-Groningen en Overijssel, verspreid ook elders zoals in de duinbossen op Terschelling, op de Mont­fer­landse stuwwal, in de Kempen, de Brabantse Wal bij Bergen op Zoom en in Limburg. Van een duidelijke voorkeur voor een bepaald bostype is geen sprake. Op kleigrond zijn waarnemingen van langdurig aanwezige Kepen in het broed­seizoen zeldzaam. Zulke waarnemingen stammen onder meer uit het Lauwersmeer en Noord-Holland (West-Friesland, Muiderberg). In de atlasperiode zijn slechts drie zekere broedgevallen doorgegeven, hoewel ze volgens de criteria in de handleiding strikt genomen waarschijnlijke broedgevallen betreffen (nestbouw, geen bewijs voor eieren of jongen). Ze resulteerden, voor zover bekend, niet in uitgevlogen jongen. De drie gevallen zijn afkomstig uit de duinstreek (1) en de Veluwe (2). In de Kennemerduinen werd in 1999 nestbouw door een wijfje geconstateerd in open oud dennenbos. Het - later vermoedelijk gepredeerde - nest bevond zich op 7 m hoogte op een zijtak van de dikste den in de omgeving (de Nobel 2001). In het Leuvenumse Bos op de Noordwest-Veluwe werd in 1999 eveneens nestbouw waargenomen, in oud gemengd loofbos langs een beek. Het derde geval betrof nestbouw nabij Renkum op de Zuidwest-Veluwe, op een kerkhof met oude naald- en loofbomen.

Veranderingen

Het aantal meldingen van waarschijnlijke broedgevallen (lees: voornamelijk territoriale overzomeraars) was ten tijde van het eerste atlasproject in 1973-77 dubbel zo hoog als in 1998-2000. Het aantal zekere broedgevallen was in beide atlas­perioden verwaarloosbaar, respectievelijk vier en drie. Het voert veel te ver om van een afname te spreken. De aantallen overzomeraars worden vermoedelijk beïnvloed door de jaarlijks wisselende voedselsituatie in Fenno-Scandinavië. Bovendien wordt nu kritischer aangekeken tegen late waarnemingen (bijvoorbeeld groepszang eind april, of aanwezige vogels begin mei) dan tijdens de eerste atlasperiode. Ook in Denemarken zijn in de tweede atlasperiode, ondanks een hogere onderzoeksintensiteit, veel minder territoriale Kepen opgevoerd (Grell 1998). Uit de veranderingskaart is dan ook geen conclusie te trekken. De schijnbare patronen zoals de afname in Oost-Drenthe, op de West-Veluwe en in de Kempen, zijn terug te voeren op toevalstreffers of betreffen lokale verschillen in onderzoeksintensiteit tussen beide atlas­perioden. Systematische regionale studies tonen geen trendmatige ontwikkeling (Bijlsma et al. 2001).

Aantallen

Ervan uitgaande dat Kepen in uitgestrekte bossen gemakkelijk worden gemist, zullen jaarlijks tenminste 1-5 paren tot nestbouw overgaan. De soort behoort daarmee tot de zeldzaamste Nederlandse broedvogels. Daarnaast overzomerden in 1998-2000 naar schatting 20-40 Kepen in potentiële broedgebieden. In sommige jaren, bijvoorbeeld na een lang aanhoudende strenge winter, kan het aantal achterblijvers mogelijk wat hoger uitvallen. 

Bron

Auteur(s)

Vogel, R.L.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.