Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Grauwe klauwier Lanius collurio

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Laniidae [familie]
Lanius [genus] (10/3)
collurio [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Sterke toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Grauwe Klauwieren zijn in 7% van de atlasblokken vastgesteld, merendeels in de oostelijke helft van ons land. De meeste bezette blokken liggen in beekdalen en heidegebieden in het westen en noorden van Drenthe, op zandruggen in het zuidoosten van Groningen en op het veen in de zuidoostpunt van Drenthe. De overige blokken liggen verspreid over vooral het zuidoosten van Friesland, Flevoland, de Veluwe, Twente, de Achterhoek en Zuid-Limburg. De provincies Noord- en Zuid-Holland, Utrecht, Zeeland en Noord-Brabant waren tijdens de atlasperiode zo goed als leeg, net als de Waddeneilanden. Ruim de helft van de Nederlandse broedpopulatie komt voor in het 2000 ha grote hoogveenreservaat Bargerveen in Zuidoost-Drenthe. Het beheer hier is gericht op vernatting, wat tot een groot en veelzijdig aanbod van potentiële prooisoorten heeft geleid, een randvoorwaarde voor vestiging van de Grauwe Klauwier (Esselink et al. 1995). Na een geleidelijke toename gedurende 1978-87 van enkele naar 10-15 paren nam de stand hier snel toe, mogelijk door aanvulling van buitenaf (van Berkel 1993). Na een hoogte­punt in 1996 met ongeveer 110 paren is de stand afgenomen tot minder dan 80 in 2001, waarschijnlijk door verhoogde predatie (Stichting Bargerveen ongepubl.). De aaneengesloten bezette atlasblokken in de noordelijke provincies suggereren een gebiedsdekkende verspreiding. In het overgrote deel van de atlasblokken broedt echter slechts een enkel paar, uitgeweken naar de resterende oases van onze cultuurwoestijnen. Het flatteuze effect wordt versterkt doordat de kaart een gesommeerd beeld geeft over drie jaar, terwijl veel habitats (vooral de marginale) slechts één jaar bezet zijn. Bovendien zullen vooral de mogelijke broed­gevallen deels betrekking hebben op solitaire mannetjes. Mannetjes zijn vanaf hun tweede broedseizoen namelijk erg plaatstrouw, terwijl vrouwtjes veel meer dispersiegedrag vertonen (Jakober & Stauber 1987). Dit verkleint de kans op paarvorming op kleine, geïsoleerd liggende locaties. Hiertegenover staat dat de broedplek na legselverlies in veel gevallen vrijwel meteen wordt verlaten. Hierdoor zal de broedzekerheidscode soms te laag zijn ingeschat. De kans dat er atlasblokken zijn waar de soort is gemist, is overigens klein, aangezien de meeste vogelaars in geschikte habitats extra opmerkzaam waren.

Veranderingen

Begin 20e eeuw kwam de Grauwe Klauwier in ons land overal en in vrijwel alle landschapstypen voor. In de loop van de eeuw vond echter een snelle achteruitgang plaats. Van de aantallen van weleer is slechts een paar procent over (Hustings & Bekhuis 1993). De veranderingskaart laat zien dat de ‘rode tuinvalk’ zich sinds de jaren zeventig nog verder heeft teruggetrokken uit landsdelen die destijds nog tamelijk kleinschalig waren, zoals delen van Midden-Drenthe, Noord-Brabant en Limburg. Voorts kwamen in 1973-77 nog lage aantallen voor langs de hele kustlijn, maar in 1998-2000 werd slechts één paar gevonden, in de duinen van Ameland, en alleen in 1998. Ameland was tevens het laatste bolwerk van de duinklauwieren, met eind jaren tachtig nog 20-25 broedparen (Versluys et al. 1997). De verdwijning loopt parallel met een enorme faunistische verarming van de Nederlandse duinen als gevolg van verruiging en verdroging. Hierdoor kunnen veel insectensoorten hun levenscyclus niet meer voltooien. Dit bleek bijvoorbeeld uit een sterke afname van meikeverachtigen (mei- en julikever, rozenkever) in braakballen van de laatste duinklauwieren. Het dieet was bij het laatste paar veel soortenarmer en het prooigewicht gemiddeld een stuk lager dan in het Bargerveen en in een Zuid-Duitse populatie. Het lage broedsucces op Ameland werd dan ook vrijwel zeker veroorzaakt door voedselgebrek (Kuper et al. 2000, Nijssen et al. 2001). Nieuwe vestigingen vonden veelal plaats in gebieden waar insectenrijke plekken zijn ontstaan, bijvoorbeeld na hydrologische ingrepen (Elperstroom, Oostvaardersplassen). Sinds 1992 zijn meer dan 1000 jongen gekleurringd in het Bargerveen en in de kleinere Nederlandse broedgebieden. Hieruit is gebleken dat er geen uitwisseling tussen deze populaties plaatsvindt. De ongeringde vogels die her en der opduiken moeten dus afkomstig zijn van elders, mogelijk uit de aan Noord-Nederland grenzende deelstaat Nedersaksen, waar nog 3000-10.000 paren zouden broeden (Heckenroth & Laske 1997). Het uitblijven van kolonisatie vanuit het Bargerveen en andere populaties komt waarschijnlijk door de schaarste aan geschikte habitats. Er víndt wel dispersie plaats, maar deze vogels zullen óf blijven ronddolen in de ‘ecologische woes­tijn’, óf weer terugkeren naar hun geboortegrond. Hoewel het broedsucces in het Bargerveen niet lager is dan elders in Europa, blijkt uit berekeningen van de aanwas in verhouding tot de populatiegrootte dat immigratie ook hier nog steeds plaatsvindt (Geertsma et al. 2000). Alle Nederlandse po­pulaties gedragen zich in feite als een ‘ecologische put’ (sink), wat betekent dat er meer inkomt dan eruit gaat. Dit maakt de Grauwe Klauwier, die in Nederland aan de rand van zijn verspreidingsareaal leeft, zeer kwetsbaar.

Aantallen

Op grond van de atlasdata, het lsb-archief van sovon en gegevens van Stichting Bargerveen is een schatting van 160-200 paren reëel. In 1973-77 ging het vermoedelijk om 200-250 paren (Hustings & Bekhuis 1993). Zonder de populatie in het Bargerveen en aanvoer van buitenaf was het Nederlandse bestand waarschijnlijk al ingestort.

 

Bron

Auteur(s)

Esselink, H., Geertsma, M.

Publicatie