Overslaan en naar de inhoud gaan

Klapekster Lanius excubitor

Foto: Kees Venneker

Indeling

Laniidae [familie]
Lanius [genus] (11/3)
excubitor [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Verdwenen
Trend laatste 10 jaar: Verdwenen

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Het atlasonderzoek leverde een bedroevend resultaat op, slechts één zeker broedgeval en twee waarschijnlijke broedgevallen. De mogelijke broedgevallen hebben vooral betrekking op trekkers die tot in mei bleven hangen. Bij het zekere broedgeval op het Hulshorsterzand (Noordwest-Veluwe) werd begin juni 1999 een paar met drie pas uitgevlogen jongen ontdekt in opslag van grove den langs een zandverstuiving. Het waarschijnlijke broedgeval op de centrale Veluwe betreft een paar dat in mei-juni 1998 op het Harskampse Zand, een uitgestrekt militair oefenterrein, verbleef in opslag van grove den, berk en vuilboom langs de rand van levend stuifzand. In een aangrenzend atlasblok, eveneens Harskampse Zand, werd in juli 2000 een solitaire vogel waargenomen. Bij een waarschijnlijk broedgeval in Drenthe in 2000 was tot half mei een territoriaal mannetje aanwezig op de Havelterberg; eind april werd ook een wijfje gesignaleerd. Vermeldenswaard is verder het mogelijke Drentse broed­geval op het Zuid-Hijkerzand bij Beilen; tot 25 juni was hier een vogel aanwezig.

In de uitgestrekte militaire oefenterreinen op de Veluwe is wellicht een enkel paar over het hoofd gezien. Klapeksters gedragen zich in het broedseizoen namelijk heimelijk; hoge zitposten worden dan goeddeels gemeden en bij onraad wordt snel de dekking opgezocht (Hölker 1993).

Veranderingen

Begin 20e eeuw broedden er in Nederland mogelijk nog enkele honderden paren op heidevelden en in hoogveenrestan­ten. Vanaf de jaren twintig moest de Klapekster echter snel terrein prijsgeven (Bijlsma et al. 2001). Ten tijde van het eerste atlasproject in 1973-77 was de populatie al geslonken tot 10-25 paren, verdeeld over Drenthe, Salland, Oost-Twente, de Veluwe, de Kempen en de Peel. Vermoedelijk was deze schatting te laag, gezien de lacune in de kennis over het voorkomen op de Veluwe. Kort na de eerste atlasperiode ruimde de soort in Oost- en Zuidoost-Nederland het veld. Het laatste succesvolle broedgeval in de Kempen stamt uit 1977 (van Happen & van Kessel 2000). In de Groote Peel was in 1993 nog een territoriaal paar aanwezig. In Overijssel verdween de Klapekster eind jaren zeventig vermoedelijk als broedvogel, hoewel in 1992 en 1996 nog territoriale vogels aanwezig waren in de Engbertsdijksvenen. In Drenthe werd tot medio jaren negentig nog geregeld gebroed, met name in het Bargerveen. Het laatst overgebleven maar broze bolwerk is de Veluwe. Onderzoek in het centrale deel in 1989-90 leverde verschillende ‘nieuwe’ broedparen op. Het ging, achteraf gezien, om een korte opleving zodat de landelijke schatting van 15-40 paren voor 1989-91 (Osieck & Hustings 1994) moet worden bijgesteld tot 15-20. In de jaren negentig vonden nog zekere broedgevallen plaats in de omgeving van het Harskampse Zand (2 in 1990, 1992, 1994), Doornspijkse Heide (1997), Hulshorsterzand (1993, 1999) en Planken Wambuis (1990, 1995). Voorts zagen jachtopzichters op de Veluwe tot in de jaren tachtig vanuit de hoogzit Klapeksters in het voorjaar op kapvlakten en in open dennenbos. Het valt niet uit te sluiten dat in dergelijke terreinen werd gebroed.

De afname in de 20e eeuw hangt samen met habitatverlies door ontginning en bebossing van de woeste gronden. Ook het verdwijnen van cultuurland-enclaves op en nabij heidevelden was mogelijk van invloed. De snelheid waarmee de afname zich in de resterende - op het oog geschikte - natuurgebieden heeft voltrokken, doet vermoeden dat verzuring en vermesting eveneens een rol spelen. Door de sterk toegenomen stikstofdepositie zijn veel heidevelden vergrast, waardoor belangrijke zomerprooien voor Klapeksters zoals loopkevers, hagedissen en hommels zijn afgenomen. Op zich behoeft dit voor volwassen vogels nog niet rampzalig te zijn vanwege het brede voedselspectrum, waarbinnen woelmuizen qua gewicht de belangrijkste zomerprooi vormen (Wagner 1994, Bijlsma 1995c). De kwetsbare schakel is mogelijk het menu van de nestjongen, dat in de eerste weken vooral uit hommels, kevers en vlinders bestaat. Deze kost wordt pas vlak voor het uitvliegen aangevuld met muizen en hagedissen (Glutz von Blotzheim & Bauer 1993). Door het verminderde aanbod van grote insecten zullen de opgroeiomstandigheden voor nestjongen verslechterd zijn.

De zekere broedgevallen in de jaren negentig vonden vooral plaats langs de randen van zandverstuivingen op de Veluwe, veelal in goede muizenjaren (Bijlsma 1995c). De schrale bodems hier zijn relatief weinig vergrast maar arm aan bloemrijke vegetaties, waar hommels en vlinders op zijn aangewezen. De lokaal talrijke mestkevers en loopkevers vormen in potentie echter een belangrijke aanvullende voedselbron, evenals sommige grote vliesvleugeligen (bijen, enkele hommelsoorten) die op bloesem van vuilboom foerageren. De Nederlandse broedpopulatie balanceert inmiddels op de rand van uitsterven. Een impuls vanuit de omliggende broedgebieden valt niet te verwachten. In de hoogvenen en heidevelden van Nedersaksen is eveneens sprake van een sterke afname. Ook van de broedpopulaties in de middelgebergten en het kleinschalige cultuurland ten oosten en zuiden van Nederland is niets te verwachten; deze vogels zijn tamelijk honkvast en staan eveneens onder druk (Rothhaubt 1992).

Aantallen

Jaarlijks broeden er vermoedelijk slechts 1-4 paren in ons land. Hiermee behoort de Klapekster tot de zeldzaamste Nederlandse broedvogels.

Bron

Auteur(s)

Vogel, R.L.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.