Overslaan en naar de inhoud gaan

Engelse kwikstaart Motacilla flavissima

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Motacillidae [familie]
Motacilla [genus] (9/5)
flavissima [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

De Engelse Kwikstaart is in 31 atlasblokken aangetroffen. Daarbij ging het slechts in zes blokken om zekere en in twaalf om waarschijnlijke broedgevallen. Vermoedelijk is, meer dan bij veel andere soorten, een aantal broedgevallen niet opgemerkt. Engelse Kwikstaarten broeden bij ons vooral in bij vogelaars weinig geliefde habitat: bollenvelden en akkerbouwgebieden. In dergelijke landschappen is de Gele Kwikstaart vrijwel altijd een talrijke broedvogel. Op gedrag en geluid is de Engelse Kwikstaart niet van de Gele Kwikstaart te onderscheiden. Het vereist dan ook veel geduld en doorzettingsvermogen om elke ‘gele’ kwikstaart nauwkeurig te bekijken. Beter dan de eerste weken na aankomst, wanneer de mannetjes zingen (maar vaak onregelmatig), leent de maand juni zich voor snelle soortbepaling. Broedparen met grote jongen alarmeren dan langdurig.

Van een aaneengesloten broedgebied is alleen nog sprake in de Bollenstreek tussen Wassenaar en Hillegom. Doorgaans komen hooguit enkele paren per blok voor, met uitzonderingen zoals het bollengebied Lentevreugd bij Wassenaar (6 paren in 2001; ter Haar 2001) en de Noordzijderpolder bij Noordwijk (8-10 paren). De overige zekere broedgevallen werden gemeld uit Heiloo (bollenveld), de Haarlemmermeer (graanveld) en de Maasvlakte (ruig begroeid zand­depot). Uit het binnenland ontbraken aanwijzingen voor broeden, op waarschijnlijke broedgevallen na bij Urk (2000, in bollenveld; G. van der Bent pers. med.) en Lochem (2000; van Rijn & van Hoorn 2001).

Veranderingen

Tot in de jaren zeventig van de 20e eeuw stond de Engelse Kwikstaart bekend als een incidentele broedvogel van West-Nederland. De ontdekking van een populatie van ruim 100 paren in de Bollenstreek tussen Wassenaar en Haarlem leidde tot meer aandacht voor deze soort (van Dijk 1975). Eerst vond R. van Poelgeest zo’n 30-35 paren in de met kreken doorsneden akkerbouwgebieden van westelijk Overflakkee (Vogelwerkgroep Avifauna West-Nederland 1981). Hierna bracht onderzoek in de jaren tachtig in Noord-Holland aan het licht dat de bollenvelden in deze provincie bevolkt werden door tenminste 75-100 paren (Ruitenbeek et al. 1990). Broed­vogel­onderzoek in Zeeland tenslotte leverde een kleine po­pu­­latie (3-10 paren) op in westelijk Zeeuws-Vlaanderen (Vergeer & van Zuylen 1994).

Gelet op het voorgaande bedroeg de stand in de periode 1980-85 zo’n 200-350 paren. Hierna, of al enige jaren eerder, zette een duidelijke afname in. Inventarisaties in de Bollenstreek gaven een afname aan met 40% binnen tien jaar (van Dijk & Hoek 1989), hoewel de oppervlakte geschikte broedhabitat nota bene toenam door het omspuiten van graslanden tot bollenvelden. In Noord-Holland werd in de tweede helft van de jaren tachtig hetzelfde geconstateerd. Uit de onderhavige atlas blijkt dat deze achteruitgang onverminderd heeft doorgezet. Van de kerngebieden van weleer is alleen de Bollenstreek tussen Wassenaar en Hillegom nog (spaarzaam) bezet.

De afname in Nederland houdt vermoedelijk verband met de teruglopende aantallen in Engeland. De Common Birds Census (cbc) geeft in 1974-99 een daling met 36% aan (Thewlis et al. 2001). In waterrijke gebieden gaat het zelfs om een afname met 81% in 1975-98 (Marchant & Beaven 2000). De afname is een gevolg van omzetting van grasland in bouwland, drainage van graslanden en intensivering van grond­gebruik (Gibbons et al. 1993). Over toe- of afname in Frankrijk is weinig bekend, al wordt de ontdekking van duizenden paren op de akkers van het noordelijke kustgebied toegeschreven aan een reële toename (Dubois 2001).

Aantallen

De Nederlandse populatie werd in 1973-77 op 150-200 paren geschat, wat vermoedelijk te laag was. In 1998-2000 ging het om 40-80 paren. Ongetwijfeld zijn nogal wat broedgevallen over het hoofd gezien gelet op de specifieke inventarisatieproblemen. Gericht onderzoek in bollenvelden kan vermoedelijk een iets positiever beeld opleveren dan nu uit de atlasgegevens blijkt. Zo leverde intensief onderzoek op bollenland bij Wassenaar (33 uur op 100 ha) zes broedparen op (ter Haar 2001).

Bron

Auteur(s)

Dijk, J. van

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.