Overslaan en naar de inhoud gaan

Grote gele kwikstaart Motacilla cinerea

Foto: Bert de Ruiter

Indeling

Motacillidae [familie]
Motacilla [genus] (9/5)
cinerea [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Door de specifieke habitatkeus bleef het broedareaal beperkt tot 118 atlasblokken. In 12 daarvan staat de soort alleen als mogelijke broedvogel op de lijst. De laatste gevallen zullen gewoonlijk betrekking hebben op late doortrek of vroeg uitzwermende jongen. Indien broedend, is de soort immers niet moeilijk vast te stellen. Dit kan ook worden afgeleid uit het hoge percentage (58%) blokken met zekere broedgevallen, zeker wanner we bedenken dat meestal maar enkele paren per blok aanwezig zijn. Het verspreidingsbeeld zal zeker compleet zijn. De Grote Gele Kwikstaart spreekt tot de verbeelding en wordt vrijwel jaarlijks in grote delen van Nederland scherp in de gaten gehouden.

Binnen zijn verspreidingsgebied is de soort nergens talrijk. Meer dan 10 paren per atlasblok is maar drie keer gemeld: omgeving van Delden (Twente), Winterswijk (Achterhoek) en Wittem (Zuid-Limburg). Clusters van blokken met 3-10 paren zien we in Oost-Twente (Dinkeldal), het Winterswijkse bekengebied en Zuid-Limburg. Voorts bezet de soort in lage dichtheden grote delen van Twente, Midden-Limburg (vooral Leudal, Roer en Swalm) en - meer onderbroken - de rand van het Veluwemassief (sprengenbeken, parken Arnhem) en de Noord-Achterhoek. Veel van deze broed­plaatsen zijn over reeksen van jaren bezet. De vaak geïsoleerde ligging vormt blijkbaar nauwelijks een probleem. Ringonderzoek in de Achterhoek toonde het bestaan aan van zeer actief zwerfgedrag langs de beken in de nazomer (Kwak 1979). Daarbij zakken ongetwijfeld veel vogels van Belgische en Duitse oorsprong naar ons land af, afkomstig van omvangrijke broedpopulaties waarvan de Nederlandse po­pulatie slechts een bescheiden uitloper vormt. Zekere broedgevallen ver buiten het reguliere broedgebied, zoals in Son (nb) in 1998 en bij Den Oever (nh) in 2000, zijn vaak een incidentele gebeurtenis.

Veranderingen

Zo op het eerste gezicht komt de verspreiding goed overeen met die ten tijde van de vorige broedvogelatlas 25 jaar geleden. Toch vonden er wel degelijk enige veranderingen plaats, voornamelijk ten goede. De soort heeft zijn verspreidingsgebied in Twente, Midden-Limburg en langs de randen van de Veluwe aanzienlijk uitgebreid. Het gaat hier welis­waar om weinig paren, maar wel om dik 30 nieuw bezette blokken! Ook de minder optimale gebieden van de Achterhoek en Zuid-Limburg kennen nu meer vestigingen. De verlaten blokken vallen daarbij grotendeels weg. In detail is de verspreiding nog sterker veranderd. Het broeden op minder karakteristieke locaties als erven, kanalen, gekanaliseerde beeklopen en zeer kleine beken is beslist toegenomen. Het voorkomen langs de natuurlijke beeklopen is weinig veranderd, al vond plaatselijk (bijvoorbeeld Winterswijk-Oost) juist in dergelijke habitats afname plaats. Over de oorzaken van deze schijnbaar tegenstrijdige ontwikkelingen tasten we in het duister.

De uitbreiding past in het algehele beeld van structurele lichte toename sinds de jaren zeventig (Bijlsma et al. 2001). Inzinkingen worden vooral veroorzaakt door streng winterweer, waarna de populatie doorgaans met enkele tientallen procenten terugvalt. In het Limburgse zijn deze inzinkingen vaak wat minder geprononceerd dan in de noordelijke helft van het land. Toch vertonen de verschillende deelpopulaties vaak opmerkelijke afwijkingen van het gemiddelde beeld. Voorbeelden zijn het tot begin jaren negentig uitblijvende herstel in de Achterhoek na drie strenge winters medio jaren tachtig (Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek ongepubl.) en de extreme terugval (afname met 55%) van de Limburgse popu­latie van 1996 op 1997 (Kurstjens & Bakker 1998).

Het blijft boeiend om deze soort in detail te volgen. Naar verwachting gaat de populatie van de Grote Gele Kwikstaart namelijk een goede toekomst tegemoet. Door bij het beheer van beken meer rekening te houden met natuurwaarden en door het herstellen van natuurlijke beeklopen kan het broedareaal in de komende decennia immers nog sterk toenemen. Zorgelijk is evenwel de negatieve ontwikkeling langs sommige natuurlijke beeklopen. Mogelijk staan waterkwaliteit en de daarmee samenhangende macrofauna hier toch te zeer onder druk.

Aantallen

In 1998-2000 broedden naar schatting 240-300 paren in Nederland. Zuid-Limburg (130-160 paren), de Oost-Achterhoek (25-35) en Twente (30-50) maakten de hoofdmoot uit. Ten opzichte van de 110-175 paren medio jaren zeventig zijn de aantallen aanzienlijk gestegen.

Bron

Auteur(s)

Kwak, R.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.