Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Witte kwikstaart Motacilla alba

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Motacillidae [familie]
Motacilla [genus] (9/5)
alba [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Met 1635 bezette atlasblokken is de Witte Kwikstaart samen met de Wilde Eend de meest verspreide broedvogel van Nederland. De verspreidingskaarten kunnen bogen op een grote volledigheid, want Witte Kwikstaarten maken het de waarnemer niet moeilijk. De maandenlang op hun broedplaats aanwezige kwikstaarten hebben weliswaar een onopvallende zang, maar de kenmerkende tweelettergrepige roep is veelvuldig te horen. Verder gedragen ze zich opvallend door territoriaal of ‘zenuwachtig’ gedrag, vliegen ze veel heen en weer en zitten ze geregeld op daken, paaltjes of andere verhogingen. Ook reageren ze meestal fel op predatoren, terwijl ouders met jongen veelvuldig en opvallend langs plattelandswegen foerageren.

De relatieve dichtheidkaart kleurt het roodst in de door mensen niet al te dichtbevolkte plattelandsgebieden, waar graslanden of gemengde agrarische bedrijfsvoering de boventoon voeren. Volgens bmp-inventarisaties haalt de Witte Kwikstaart in half-open cultuurland met veel oudere boerderijen, erven en kleine dorpen dichtheden tot 10-30 paren per 100 ha. In grote open landschappen met veel akkerbouw is de dichtheid over het algemeen lager of afwisselend hoog en laag, zoals de variatie in relatieve dichtheden aantoont in de Drents-Groningse veenkoloniën, de Bollenstreek, op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden en in Zeeuws-Vlaanderen. In de IJsselmeerpolders is de dichtheid in het algemeen hoog, behalve in de Wieringermeer en de grote natuur­gebieden (Oostvaardersplassen). De Witte Kwikstaart is sterk aan menselijke bebouwing en activiteiten gebonden, maar het moet niet te overheersend zijn. Zodra de stedelijke bebouwing al te zeer toeneemt, loopt de dichtheid sterk terug. Op de kaart zijn stedelijke agglomeraties dan ook duidelijk aan te wijzen, zoals Hengelo-Enschede, Utrecht, Amers­foort, Amsterdam, Haarlem-IJmond, ’s-Gravenhage-Delft-Zoetermeer, Rotterdam, Dordrecht, Eindhoven, Sittard-Geleen en Maastricht. Ook in grote bosgebieden is de Witte Kwikstaart dun gezaaid, zoals te zien is aan de lage dichtheden op de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. In de duinen is de soort vrij schaars, al is hij op strandvlakten en vrijwel kale duinen op de Waddeneilanden en de Zeeuwse eilanden vaak de enige zangvogel die er broedt.

Veranderingen

De verspreiding van de Witte Kwikstaart is tussen 1973-77 en 1998-200 geen spat veranderd. Een minieme winst is geboekt in atlasblokken op de grens van land en water, zoals landaanwinningswerken of recent drooggevallen gronden. In enkele blokken is de Witte Kwikstaart in 1998-2000 niet meer vastgesteld, waaronder de omgeving van de Kroon­domeinen op de Veluwe, het enige blok in Nederland met vrijwel 100% bos en slechts enkele gebouwen.

Indexcijfers laten tussen 1970 en 2000 schommelingen zien, waarin zich echter op de lange termijn een licht positieve ontwikkeling laat aflezen in het agrarisch gebied en een nega­tieve in de duinen. Regionale avifauna’s zijn karig met mededelingen over de langjarige aantalsontwikkeling. Een vrijwel gelijkluidende positieve ontwikkeling is vastgesteld in het agrarische landschap van Zuidwest-Drenthe (toe­name in 1970-1998 van 500 naar 1100 paren; A.J. van Dijk ongepubl.) en op Texel (1974-87 van 53 naar 190 paren; Dijksen 1996). Integrale inventarisaties van Schiermonnikoog laten afname zien (van 63-92 paren in 1973-1978 naar 48 in 2001; van Dijk 1974, Klemann 2001). De negatieve trend in de duinen komt ook tot uiting in Zuid-Kennemerland. In de jaren zeventig kwam deze kwikstaart in de duinen tussen Zandvoort en IJmuiden nog verspreid voor, maar thans nauwelijks meer.

De toename in het agrarisch gebied zou kunnen samenhangen met vergroting van het voedselaanbod (mest, kuilvoer) en met uitbreiding van bebouwing en infrastructuur of andere menselijke ingrepen die tot verruiming van het aanbod aan nestplaatsen leiden. De teruggang in de duinen staat vermoedelijk niet los van de vergrassing en verruiging van duinvegetaties (Verstrael & van Dijk 1997), een ontwikkeling waarvan de Witte Kwikstaart als bodemfoerageerder nadeel ondervindt. Misschien dat dit ook een rol speelt op de heide, waar de bmp-index na 1995 in zes jaar tijds is gehalveerd.

Aantallen

De atlas- en bmp-gegevens leveren bij deze soort om metho­do­logische redenen geen bruikbare cijfers op. In 1979-85 werd de landelijke populatie, gebaseerd op regionale dichtheidscijfers, geschat op 60.000-120.000 paren. Gezien de lichte toename sindsdien in agrarisch gebied, waar het merendeel van de populatie broedt, wordt aangenomen dat de populatie met ongeveer 15% is toegenomen tot naar schatting 70.000-140.000 paren in 1998-2000. 

Bron

Auteur(s)

Dijk, A. J. van

Publicatie