Overslaan en naar de inhoud gaan

Duinpieper Anthus campestris

Foto: Rob Versteeg

Indeling

Motacillidae [familie]
Anthus [genus] (9/3)
campestris [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Sterke afname
Trend laatste 10 jaar: Onzeker

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Buiten de Veluwe is het broedvoorkomen volledig opgelost. Solitaire vogels op het Aekingerzand op de grens van Dren­the en Friesland (20 mei 1999) en op zandige heide in de Ullingse Bergen bij Sint Anthonis in Noord-Brabant (29 mei 2000) (K. Scholten resp. H. den Brok pers. med.) doen daar niets aan af.

De huidige verspreiding beperkt zich tot acht atlasblokken op de Veluwe, met het Kootwijkerzand en Harskampse Zand als kerngebied (22, 16 resp. 14 paren in 1998-2000; van Dijk et al. 2001b, met aanvullingen). Kleinere aantallen werden gemeld van Hulshorster- en Beekhuizerzand (1-2), Nieuw-Millingse Zand (1 in 1998), Planken Wambuis (1-2), Otterlose Zand (2-3 in 1998-99) en Deelense en Pampelse Zand (2-3). Het betreft zandverstuivingen in verschillende stadia van vastlegging.

Alle huidige broedplaatsen worden gekenmerkt door grofzandige bodems en een trage afbraak van organisch materiaal. De bezette terreinen zijn geaccidenteerd, met een afwisseling van vlakke, zwak golvende en reliëfrijke erosiedelen. Over korte afstand komen grote en kleine hoogteverschillen voor, gemiddeld tussen 1,5 en 10 m boven nap. Vorm, hoogte en hellingshoeken van de duintjes zorgen tezamen voor een chaotisch stuifzandreliëf met grote dagelijkse schommelingen in temperatuur (Koster 1978). De bezette broedplaatsen laten vaak overgangen zien van actief stuifzand via cryptogamen- en buntgrasbegroeiing naar heischrale en gedegenereerde vegetaties, soms grenzend aan grote kaalslagen. Bij een analyse van Kootwijkse territoria in 1989 bleken Duinpiepers een voorkeur te hebben voor open vegetaties met buntgras en zandzegge langs randen van actief stuifzand. Niet alleen waren hier de territoria het kleinst (3-7 ha, bij 12 paren), ook werden er de beste reproductie­cijfers gehaald (Bijlsma 1990b). Op Planken Wambuis daarentegen varieerden de territoria in 1975-77 in omvang gemiddeld van 17,0-27,3 ha per jaar (berekend over 3-5 paren/jaar); de 1-2 resterende paren in de late jaren negentig bestreken echter 43-77 ha (Bijlsma 1978a, R.G. Bijlsma ongepubl.). Met het vorderen der jaren, en het afnemen van de lokale populatie van maximaal acht paren in 1975 naar nul in 2001, verminderde geleidelijk het nestsucces van Duinpiepers op Planken Wambuis (reden onbekend).

Veranderingen

Duinpiepers zijn in snel tempo uit Nederland aan het verdwijnen. Uitgaande van de zekere en waarschijnlijke broedvogels waren er in 1998-2000 nog slechts acht atlasblokken bezet, tegen 39 in 1973-77 (-79%). Daarmee is de afname nog niet ten einde, getuige het feit dat Planken Wambuis in 2001 voor het eerst in vermoedelijk meer dan een eeuw geen territoria meer telde. Daarmee zou het aantal blokken naar zeven zijn gereduceerd.

In vergelijking met 1973-77 is de soort verdwenen uit Utrecht (Leusderheide), Noord-Brabant (Loonse en Dru­nense Duinen, Lage Heide bij Oss, Strabrechtse Heide, heide­velden en zandverstuivingen ten oosten en zuiden van Budel) en Limburg (De Hamert, omgeving Arcen en Tegelen, Meinweg en Brunssummerheide). Deze ontwikkeling vormt de nasleep van een langlopende afname, die eerder al leidde tot de verdwijning uit Drenthe (van Dijk & van Os 1982), Zuidoost-Friesland (van der Ploeg et al. 1979), Het Gooi (Jonkers et al. 1987), de Soesterduinen in Utrecht (Alleyn et al. 1971), het Rijk van Nijmegen (Pellinkhof 1925), grote delen van de Veluwe (onder meer bij Ermelo, Doornspijkse Heide, Loenermark, Rozendaalse Veld en - Zand, Ginkelse Heide, Wolfhezerheide; Haverschmidt 1942, Fischer 1991, Lensink 1993), zeker tien heidevelden en zandverstuivingen in Noord-Brabant (van Erve et al. 1967) en 8-10 gebieden in Limburg (rond 1960 maximaal enkele tientallen paren, naast incidentele gevallen elders; Hens 1965). Deze trend werd in gang gezet door ontginning en bebossing, en krijgt momenteel zijn beslag door vegetatie­successie, vergrassing en recreatie. (Her)kolonisatie van abrupt beschikbaar gekomen broedhabitats volgend op volumineuze kaalslag (na stormen in november 1972 en april 1973, of als onderdeel van beheer), grote bosbranden of grootschalig plaggen is van diverse plaatsen in Nederland bekend: Aekingerzand (vergroting zandverstuiving na kaalslag tot 225 ha, halverwege jaren negentig, eenmalig broedgeval in 1997; Bijlsma 1997), Koningsheide bij Arnhem (1976, 370 ha brandvlakte, herinplant vanaf 1978, 1 paar in 1981; Lensink 1981), Rozendaalse Veld (na plaggen, 1 territorium in 1987-92; Lensink 1993) en Kelderbergen op Planken Wambuis (grote kaalslag na storm van 1972, 1974-77 1 paar; Bijlsma 1981a). Deze vestigingen zijn telkens van korte duur door verplichte herinplant of vegetatiesuccessie. Recente pogingen tot herstel van voorheen geschikte broedhabitats, zoals vergroting van heiden en zandverstuivingen door middel van afgraven, kaalkap of grootscheeps plaggen, worden vaak teniet gedaan door een simultane bevordering van recreatie en massale inzet van grazers als schapen en koeien. Doordat op papier beschermde gebieden geen, onvoldoende of een te coulante controle kennen, staan tal van broedplaatsen onder toenemende recreatiedruk. Dit alles niet zelden geëntameerd en krachtig bevorderd door beherende instanties, gemeentelijke en landelijke overheden, VVV’s en andere belangengroepen. De toekomst van Duinpiepers is daarom weinig hoopvol.

Aantallen

In paren uitgedrukt werd de stand in Nederland geschat op 75-90 (wellicht 100-150) paren in 1973-77, 50-75 in 1979-85, 40-60 in 1996-97 en 25-30 in 1998-2000. Daarmee is de Duinpieper een van de zeldzaamste broedvogels van ons land geworden.

Bron

Auteur(s)

Bijlsma, R.G.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.