Overslaan en naar de inhoud gaan

Tuinfluiter Sylvia borin

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Sylviidae [familie]
Sylvia [genus] (15/4)
borin [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Het Nederlandse verspreidingsgebied van de Tuinfluiter, dat 95% van alle atlasblokken beslaat, kent alleen hiaten in enkele al te open atlasblokken, vooral in het Waddengebied. Hoge relatieve dichtheden worden verspreid over het hele land vastgesteld, met een lichte nadruk op het oosten, midden en zuiden. Deze Tuinfluiter-centra zijn niet eenvoudig te koppelen aan landschapskarakteristieken, al blijken kleinschalige cultuurlandschappen, gebieden met een hoge component jong loofbos (ook doorgeschoten grienden) en verboste moerassen het meest in trek. In gesloten oud bos zoals op de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug is de Tuinfluiter minder algemeen dan de Zwartkop, wat ook opgaat voor een aantal door naaldbos gedomineerde boswachterijen in Drenthe en Noord-Brabant. Enigszins tegen de verwachting in vertonen de duinen amper hogere dichtheden dan de omringende, nogal open landschappen van West-Nederland. De duinstruwelen zijn meer het domein van de Grasmus terwijl de zware bossen van de binnenduinrand vooral voor de Zwartkop in aanmerking komen, niet zozeer voor de Tuinfluiter. Enkele struwelen in open landschap zijn soms al voldoende voor een vestiging. Alleen in de grootschalige akker- en weidegebieden van Laag-Nederland blijven de dichtheden over grote oppervlaktes ver onder het gemiddelde. Op wat kleinere schaal geldt dit ook voor sommige gebieden op de hoge gronden, zoals de Drents-Groningse veenkoloniën. Niet alle hiaten zijn overigens verklaarbaar. Zouden sommige tellers toch moeite hebben gehad met het re­gistreren van de drukke, maar binnen het ochtendlijke vogel­koor vrij onopvallende zang?

Veranderingen

De verschillen in verspreiding met de vorige atlasperiode zijn verre van spectaculair. Alleen in het noorden van Groningen, Friesland en Noord-Holland vond een bescheiden uitbreiding plaats sinds 1973-77, terwijl ook enkele voor­malige platen en schorren in het Deltagebied inmiddels begroeid genoeg raakten naar de smaak van de Tuinfluiter. Noemenswaardige verliezen zijn, op atlasblokniveau, niet geleden. De trendgegevens zijn bij deze soort wat lastiger te interpreteren dan bij de Zwartkop. De Tuinfluiter is namelijk meer een bewoner van jonge bosstadia. Grootschalige bosaanplant, zoals in Flevoland in de jaren zeventig en tachtig, kan resulteren in enorme dichtheden. Met het uitgroeien van de aanplant stort de populatie weer in, waarna het bos pas op latere leeftijd weer wat aantrekkelijker voor Tuinfluiters wordt. Een vergelijkbare ontwikkeling treedt op tijdens de vegetatiesuccessie in drooggevallen gebieden of bij het verbost raken van moerassen; ook hier levert slechts een enkel stadium binnen het hele proces hoge dichtheden op. Met dit in het achterhoofd is het opmerkelijk hoe stabiel de aantallen in loofbos bleven in de afgelopen drie decennia. Van een dal in de jaren zeventig, zoals opgemerkt in Groot-Brittannië en aldaar toegeschreven aan droogte in de Sahel (Marchant et al. 1990), is weinig te merken. De soort heeft in vergelijking met de Zwartkop veel minder geprofiteerd van het ouder worden van de bossen en de verruiging van bosbodems. Dit is begrijpelijk, want de Tuinfluiter is in gesloten bos veel meer een randbewoner dan de Zwartkop, die graag beschaduwd broedt en de diep in het bos gelegen delen allerminst schuwt. Bovendien zijn er aanwijzingen dat Zwartkoppen concurreren met Tuinfluiters om de beste plekken in bos, en daarin succesvoller zijn door een vroegere aankomst in combinatie met agressiever gedrag (Garcia 1983). Hoewel dit op populatieniveau niet van grote betekenis lijkt, kan de geconstateerde sterke toename van de Zwartkop in bossen toch een rem hebben gezet op uitbreiding van de Tuinfluiter. In de duinen en het agrarisch gebied is de soort met een factor drie of daaromtrent toegenomen sinds de jaren zeventig. In de duinen werd de duidelijkste groei vastgesteld in de jaren zeventig en tachtig. De verstruweling van het duin, waarvan de Nachtegaal en enkele andere soorten hebben geprofiteerd, leverde ook de Tuinfluiter geschikte habitat op. De toename in het agrarisch gebied kan deels worden toegeschreven aan de ‘verparking’ van open landschappen door de aanleg van bosjes en struwelen. De soort zal ongetwijfeld ook geprofiteerd hebben van de verbossing van sommige moerasgebieden.

Aantallen

Op grond van de bmp- en atlascijfers (ruim 136.000 paren) zou de populatie 120.000-150.000 paren tellen. Dit valt binnen de marge van de schatting in 1979-85 (100.000-200.000).

Bron

Auteur(s)

Hustings, F., Majoor, F.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.