Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Bosrietzanger Acrocephalus palustris

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Acrocephalus [genus] (8/5)
palustris [soort]

Wanneer de Bosrietzanger zich in mei in Nederland vervoegt, zit er een enkele reis van zeker 7500 km op. De overwinteringsgebieden bevinden zich immers in het oosten van zuidelijk Afrika, van Zambia tot Namibië. In Afrika leert de Bosrietzanger in zijn eerste winter een groot deel van de vogelgeluiden kennen die, samen met de rond de geboorteplek opgevangen geluiden, later zijn eigen zang zullen vormen. Bij onderzoek in België bleken individuele Bosrietzangers tenminste 45 Afrikaanse vogelsoorten te imiteren en 31 Europese. Deze Afrika-gerichtheid is niet vreemd voor een soort die gemiddeld slechts 55 dagen per jaar op de Europese broedplaats doorbrengt (Glutz von Blotzheim & Bauer 1991). Nederland vormt de westgrens van het Europese verspreidingsareaal, wanneer de slechts enkele tientallen paren tellende Engelse populatie buiten beschouwing wordt gelaten. De verspreiding strekt zich noordwaarts uit tot in Zuid-Noorwegen, zuidwaarts tot de Loire in Midden-Frankrijk en oostwaarts tot voorbij de Oeral. In de broedhabitat moeten stevige opgaande kruiden aanwezig zijn zoals brandnetels, harig wilgenroosje, moerasspirea of koninginnenkruid. Aan de (bij brandnetels vooral overjarige) stengels van deze kruiden wordt het nest opgehangen. Enige opslag is noodzakelijk vanwege uitzicht- en zangposten. De Nederlandse broedvogels beginnen merendeels in de laatste decade van mei en de eerste decade van juni met de eileg, met een dag of vijf verschil tussen Zuid-Limburg en de Zuidwest-Veluwe of Drenthe. Ze kennen een voor een zangvogel fenomenaal broedsucces (rond 65%, berekend volgens Mayfield-methode, bij veel andere zangvogels is dit de helft lager; Bijlsma 1985b, Hustings 1997a).

Bron

Auteur(s)

Hustings, F.

Publicatie