Overslaan en naar de inhoud gaan

Grote karekiet Acrocephalus arundinaceus

Foto: Kees Venneker

Indeling

Acrocephalus [genus] (8/5)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

In slechts 111 atlasblokken (7%) zijn Grote Karekieten vastgesteld. Bij de enkele tientallen blokken waarin alleen mogelijke broedvogels werden opgemerkt, zal het vooral gaan om late doortrekkers, ongepaarde mannen of vogels die elders al een broedpoging hebben ondernomen. De verspreiding kent een aantal duidelijke kerngebieden, waarvan dat in Noordwest-Overijssel het meest omvangrijk is. Deze kern omspant enkele Randmeren (Drontermeer, Ketelmeer, Zwarte Meer, Vollenhovermeer) en strekt zich uit tot de in het binnenland gelegen laagveenmoerassen van De Wieden en De Weerribben. Daarnaast vormen de Loosdrechtse Plassen en omgeving een bolwerk. Kleinere kerngebieden komen voor in Zuidwest-Friesland, langs de Veluwerandmeren, in de Oostvaardersplassen, de Gelderse Poort en bij Reeuwijk. De overige locaties zijn verstrooid over bijna alle provincies, met een duidelijk accent op het noorden (Groningen, Friesland) en westen (Noord- en Zuid-Holland, Zeeland) van het land. De aantalsschattingen per blok benadrukken het belang van Noordwest-Overijssel, dat met ongeveer 150 paren veruit de grootste populatie huisvest, gevolgd door de plassen bij Loosdrecht met ca. 50 paren. Buiten deze gebieden gaat het vrijwel steeds om nog geen tien paren per atlasblok, zelfs in de regionale kernen.

Veranderingen

De veranderingskaart toont een dramatische afname. In bijna 330 voorheen bezette atlasblokken werd de soort niet meer aangetroffen terwijl hij in slechts 24 blokken verschenen is. Tellingen bevestigen de enorme omvang van de afname die moet hebben plaatsgevonden. Gerekend vanaf begin jaren tachtig gaat het om een halvering, en ten opzichte van de jaren vijftig zelfs om een decimering of erger (Graveland 1996). Extra zorgwekkend is, dat de afname nog niet gestopt lijkt. Zo werd zelfs in het bolwerk in Noordwest-Overijssel in de periode 1989-2000 een afname geconstateerd van meer dan 40% (Foppen 2001). Ook in de meeste andere kerngebieden liepen de aantallen in de jaren negentig fors terug. Terwijl de achteruitgang zich over heel Nederland heeft voorgedaan, blijven de nieuwe vestigingen beperkt tot West-Nederland. Deels kunnen deze een reactie zijn op het beschikbaar komen van steeds meer oeverzones met waterriet rondom en in nieuwe woonwijken.

Naar de oorzaken van de landelijke afname is inmiddels uitgebreid onderzoek gedaan (Graveland 1996, 1998, Graveland & Coops 1997). Belangrijkste reden blijkt de afname van jonge verlandingsstadia van riet (‘waterriet’). Door eutrofiëring en een intensief peilbeheer rond een vast streefpeil (‘verstarring’) treedt vanaf de landzijde versnelde verlanding op en sterft het riet in het diepere water af door tekort aan zuurstof in de bodem. Doordat de oude rietvegetaties langzaam aftakelen of verbossen en er onvoldoende nieuw riet bijkomt, betekent dit een aanzienlijke beperking van de oppervlakte broedhabitat. In de Reeuwijkse plassen was rond 1928 nog 65% van de oevers bedekt met waterriet­zones, in 1967 was dit teruggelopen tot 32% en in 1995 tot slechts 13% (Graveland & Coops 1997). In de Loosdrechtse Plassen nam de omvang van natte rietlanden van 1960 tot 1990 af met 85% (Barendrecht et al. 1990). Een tweede oorzaak van de achteruitgang is waarschijnlijk de afname van grote waterinsecten zoals libellen en waterkevers als gevolg van de verslechterde waterkwaliteit (Graveland 1996). Voorts speelt isolatie van po­pulaties een rol. Uit onderzoek blijkt dat uitwisseling van individuen nauwelijks plaatsvindt tussen de nog bezette gebieden in Nederland (Foppen 2001). Door het wegvallen van een instroom van vogels van buitenaf, zijn de resterende broedgebieden kwetsbaarder geworden en kunnen populaties zich moeilijker herstellen van inzinkingen. Een extra complicerende factor is het gegeven dat de in Nederland geconstateerde achteruitgang onderdeel vormt van een afname die in vrijwel geheel West-, Zuid- en Midden-Europa optreedt (Hagemeijer & Blair 1997). Ook hierbij wordt als belangrijkste reden het verdwijnen van vitale waterrietvegetaties genoemd. Veranderingen in Afrika spelen waarschijnlijk een ondergeschikte rol. De soort is hier veel minder aan moerassen gebonden dan bijvoorbeeld de Rietzanger, maar is desondanks sterker afgenomen.

Aantallen

De landelijke broedpopulatie in 1998-2000 telde naar schatting 250-300 paren. De schatting voor de vorige atlas ging nog uit van 1200-1600 paren in 1973-77. Een recente extrapolatie van de aantallen rond 1950 suggereert een toenmalige broedpopulatie van ongeveer 5000 paren (van Kleunen 2001).

Bron

Auteur(s)

Graveland, J., Foppen, R.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.