Overslaan en naar de inhoud gaan

Sprinkhaanzanger Locustella naevia

Foto: Louis Westgeest

Indeling

Locustellidae [familie]
Locustella [genus] (5/2)
naevia [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Sprinkhaanzangers werden vastgesteld in 44% van de atlasblokken. Laag Nederland is het best bezet, voor zover het moerasrijke regio’s betreft. De duinen vertonen van Schiermonnikoog tot Zeeuws-Vlaanderen een lintvormig aaneengesloten verspreiding. In Hoog-Nederland is het voorkomen brokkelig en grotendeels beperkt tot hoogveengebieden, natte heide en moerassige beekdalen.

Van de in Nederland voorkomende rietzangerachtigen heeft de Sprinkhaanzanger de breedste ecologische amplitude. De soort is niet kieskeurig wat betreft grondsoort en komt in ons land voor op zandgronden, in venen en op klei. In laagveenmoerassen met een nog levende rietcultuur bewoont hij zowel gebieden waar de verlanding zich nog in een drijftilfase bevindt als sterk verzuurde rietlanden met veel bosopslag. In drijftilzones, waar een pionier als de Snor talrijk kan zijn, komen reeds flinke aantallen Sprinkhaanzangers voor. Groeit het open water dicht, dan verdwijnen de Snorren maar blijven de Sprinkhaanzangers, indien althans niet al het riet gemaaid wordt. Bij voortschrijdende verlanding krijgt de soort gezelschap van Kleine Karekiet, daarna Rietzanger en tenslotte Bosrietzanger. Pas in het eindstadium van verlanding, elzenbroekbos, ontbreekt hij.

Opvallend talrijk is de soort in de laagvenen van ons land, met name die van Noordwest-Overijssel, met De Wieden (600-700 paren in 1993-95; Veldkamp 1999a) en De Weerribben (honderden, geen recente cijfers beschikbaar) als kerngebieden. Dat de soort hier zo talrijk kan voorkomen, is in belangrijke mate te danken aan het onderbreken van de natuurlijke verlanding door het maaien van de rietlanden. Ook buiten het laagveengebied komen hier en daar opmerkelijke aantallen Sprinkhaanzangers voor, zowel in grote moerasgebieden op minerale bodem (Lauwersmeer, Oostvaardersplassen) als in venige omgeving met bijvoorbeeld gagelstruweel in duinvalleien, randen van hoogveen, of op gooreerdgronden in beekdalen. Op natte leem- en klei­bodems broedt hij veel op kapvlaktes, in jonge loof­hout­­aanplant en griendcultures. Pitrusvelden op recent uit de productie genomen landbouwgronden worden vlot bezet (Bijlsma 2002c).

Veranderingen

De Sprinkhaanzanger is in de afgelopen kwart eeuw uit ruim 150 atlasblokken verdwenen (vooral Hoog-Nederland) en in een dikke 280 blokken nieuw verschenen (vooral Laag-Nederland). Dit positieve beeld contrasteert met de niet goed verklaarbare afname die de Britse broedvogelatlas laat zien over een bijna vergelijkbaar lange periode (Gibbons et al. 1993). De Nederlandse verruiming van de verspreiding is deels verklaarbaar vanuit het ontstaan van nieuwe broedterreinen door inpolderingen (Lauwersmeer), het droogvallen en begroeid raken van platen (Deltagebied) of veranderd natuurbeheer (aan de landbouw onttrekken van gronden in Groningen, Drenthe, langs de Grote Rivieren en elders). Voorts is in veel duingebieden toename vastgesteld, zowel op de Waddeneilanden als het vasteland (Bijlsma et al. 2001). De soort heeft hier geprofiteerd van verruiging van vegetaties, een factor die ook voor sommige natte heidevelden geldt. Als gevolg van herstelbeheer, zoals het tegengaan van de verstruiking van duinen of het terugdringen van de vergrassing van heidevelden, zou de soort lokaal enig terrein kunnen prijsgeven (van den Brink et al.1996). Of de gevonden toename in sommige moerasgebieden representatief is voor Nederland, blijft ongewis. In de verdrogende moerassen van Rijnstrangen en Ooijpolder nam de Sprinkhaanzanger sinds 1996 sterk toe van gemiddeld 6 paren in 1991-95 naar 36 in 1996-2000 (Fauna­werkgroep Gelderse Poort 2002).

De jaarlijkse fluctuaties in moerasgebieden corresponderen deels met waterpeilveranderingen. Zo varieerde het aantal territoria in de Oostvaardersplassen in de tweede helft van de jaren negentig van naar schatting 120 in 1997 (veel droog rietland) tot 2 in 2000 (hoge waterstanden) (Kolen et al. 2001). De soort is kwetsbaar in moeras. Veel moerassen verdrogen en verbossen waardoor broedhabitat, na een kortstondig optimum, weer verdwijnt. Intensief maaibeheer biedt geen oplossing. De soort vestigt zich namelijk bijna uitsluitend in overjarig riet (Prop & Veldkamp 1987, Veldkamp 1999a). Ideaal (bij gebrek aan natuurlijke dynamiek) voor het hele soortspectrum van rietvogels is een regelmatige afwisseling van gemaaid en ongemaaid riet, waarbij het riet vlaksgewijs om de twee jaar gemaaid wordt. Omdat periodiek maaibeheer van rietland onder meer door opslag van houtige gewassen en bramen arbeidstechnisch lastig is, en een mengsel van jong met overjarig riet minder opbrengt dan jaarlijks gemaaid riet, zal hier in de praktijk weinig van terechtkomen. Voor in grienden huizende broedvogels vormt mechanisering van griendcultures in het westelijk rivierengebied een bedreiging. Op armere gronden (gagelstruwelen) doen zich problemen met de waterhuishouding voor, waardoor de voor Sprinkhaanzangers belangrijke pollige structuur van de kruidlaag (pijpenstrootje, pitrus, zeggen) verdwijnen kan.

Aantallen

Op grond van de geschatte aantallen per atlasblok (5100 paren) en rekening houdend met inventarisatieproblemen lijkt een landelijke schatting van 4000-6000 paren reëel. In 1979-85 werd het aantal paren op 3000-5000 geschat.

Bron

Auteur(s)

Veldkamp, R.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.