Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Fitis Phylloscopus trochilus

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Phylloscopus [genus]
(16 soorten in totaal / 3 gevestigd)
trochilus [soort] (2/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

In Nederland kent de Fitis met een presentie van 96% een bijna landdekkende verspreiding. Zelfs in parken en plantsoenen in grote steden en verstedelijkte gebieden kunnen Fitissen worden aangetroffen, zij het in lage dichtheden. De (punt)relatieve dichtheidskaart vertoont een grillig patroon, met verspreid over Nederland duidelijke bolwerken naast Fitis-arme gebieden. Concentraties zijn vooral te vinden op de Waddeneilanden, de noordelijke zandgronden, de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en in de Hollandse en Zeeuwse duinen. In deze gebieden komen enorme aantallen voor. Zo zijn dichtheden van 70-90 paren per 100 ha in de duinen heel normaal (Geelhoed et al. 1998), evenals dichtheden van 10-50 paren per 100 ha op Drentse heidevelden, hoog­venen en bossen (van den Brink et al. 1996). De reputatie van de Fitis als pionierssoort wordt bevestigd door de concentraties in de voormalige getijdengebieden Lauwersmeer en Biesbosch. Na het uitbannen van de waterdynamiek hier vond spontane verbossing plaats, groeiden grienden uit (Biesbosch) of werd grootschalig aangeplant (Lauwersmeer), waarvan de Fitis profiteerde. In Zuidelijk Flevoland leveren de recent aangeplante (populieren)bossen hoge dichtheden op. Lage Fitis-dichtheden zijn kenmerkend voor het open rivie­ren­landschap. De soort is ronduit schaars in de vrijwel boomloze landbouwgebieden op zeeklei in Noord-Groningen, Noord-Friesland, de Noordoostpolder en het Delta­gebied, evenals in kale weidegebieden (Midden-Friesland). In tamelijk open gebieden met intensieve veehouderij (Gelderse Vallei, plaatselijk in Noord-Brabant en Noord-Limburg) en in het Zuid-Limburgse Heuvelland zijn de dichtheden aan de lage kant tot zeer laag.

Veranderingen

De verspreidingskaart in 1998-2000 is nagenoeg identiek aan die in 1973-77, al heeft de soort zich in een klein aantal blokken nieuw gevestigd in het Waddengebied, langs het IJsselmeer en in het Deltagebied. Het gaat doorgaans om nieuw land dat, wanneer het begroeid raakt met opgaande vegetaties, geschikt wordt voor de Fitis. De indexgrafiek van de afgelopen kwart eeuw geeft een toename te zien in de duinen (tot eind jaren tachtig) en het agra­risch gebied. In het duingebied is de stijging gedurende langere termijn van het aantal Fitissen onder meer geconstateerd op Ameland (Versluys et al. 1997), op Texel (Dijksen 1996) en in Meijendel (van der Meer 1996). De toename wordt toegeschreven aan de uitbreiding van de oppervlakte duin­struweel; hoewel de Fitis op de grond broedt en graag tussen grassen nestelt, heeft hij enige struiken of bomen nodig als zang- en uitkijkpost. Voor het agrarisch cultuurlandschap is de toename moeilijker te verklaren. De Fitis heeft hier wellicht profijt getrokken van uitbreiding van wegbeplanting en toegenomen aandacht voor de instandhouding en het herstel van kleine landschapselementen. In bosgebieden vond geen duidelijke toename over de hele linie plaats. Of de overstap van grootschalige kaalkap naar natuurlijker bos­beheer, waarbij meer aandacht wordt besteed aan de aanplant van inheemse boomsoorten en aan natuurlijke verjonging, voor de Fitis gunstig is, zal moeten blijken. De oppervlakte bos is in de afgelopen decennia zeker toegenomen, vooral door grootschalige aanplant in Flevoland. De bossen hier werden aangeplant vanaf de jaren zeventig, een proces dat tot halverwege de jaren negentig aanhield (Bremer et al. 1999). De Fitis bereikte in deze bossen plaatselijk extreem hoge dichtheden van 220 paren per 100 ha, ongeveer 5-10 jaar na aanplant. Door de voortdurende aanplant van nieuw bos bleven goede broedgebieden lange tijd voorhanden. Inmiddels neemt, met het ouder worden van de bossen en het afvlakken van nieuwe aanplant, de dichtheid van de Fitis in Flevoland af (R.F.J van Beusekom & G.A. Morel ongepubl.). Sinds begin jaren negentig nemen de aantallen in de duinen af. Eind jaren negentig deed de soort het hier nog steeds minder goed dan in andere habitats als agrarisch gebied, (verbost) moeras, heide en hoogveen (van Dijk & Hustings 2001). Een duidelijke verklaring voor deze tegenstrijdige ontwikkelingen per habitat (en mogelijk ook regio) is niet voorhanden. In Engeland werd op vaste ringopstellingen (Constant Effort Sites) in de periode 1982-99 een afname van 32% in de aantallen Fitissen geconstateerd (Balmer et al. 2001). In 1991-92 nam de overlevingskans van volwassen vogels sterk af, niet alleen in Engeland, maar ook in Nederland (Foppen & Reijnen 1996). Het is aannemelijk dat dit samenhing met verslechterde omstandigheden in het overwinteringsgebied. In Engeland is recent ook een afname van het broedsucces geconstateerd, door toegenomen mislukking van nesten in de jongenfase (Balmer et al. 2001).

Aantallen

De berekening met bmp- en atlasgegevens (ruim 500.000 paren) komt aanzienlijk hoger uit dan eerdere schattingen (250.000-400.000 in 1979-85). Mogelijk is de huidige schatting van 450.000-550.000 paren aan de hoge kant.

Bron

Auteur(s)

Morel, T.G.A.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-20005: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.