Overslaan en naar de inhoud gaan

Tjiftjaf Phylloscopus collybita

Foto: Hans van der Meulen

Herkenning
11 cm. Geslachten gelijk. Klein, hoofdzakelijk groenig of bruinig zangertje zonder duidelijke kenmerken. Verschillende (onder)soorten worden onderscheiden in het gebied, die voornamelijk verschillen in kleur, maar soms ook in geluid. Algemeenste ondersoort, collybita, heeft olijfkleurige bovendelen, beige-gele borst en flanken en wittige buik. Slagpennen met groenige randen. Onduidelijke wenkbrauwstreep, beige of gelig, donkerder oogstreep. Ondersoort abietinus uit Scandinavië grijzer van boven en witter van onderen. Iberische tjiftjaf p. ibericus van het Iberisch Schiereiland lijkt qua kleed op collybita maar heeft andere zang; wordt tegenwoordig als aparte soort beschouwd. Poten altijd donker, soms vrijwel zwart. Verschilt van Fitis door kortere vleugels, grijzer en bruiner verenkleed, (meestal) door donkere poten, roep en gewoonte om regelmatig met vleugels en staart te trekken. Juveniel als adult, maar vaak wat geler of grijzer en meer donzig uiterlijk.

Verspreiding en voorkomen
Komt voor in Europa en Azië, tot aan het oosten van Siberië. In Nederland uiterst talrijke broedvogel, wegtrekkend, doortrekker in groot aantal.

Biotopen
Verscheidenheid aan habitats met bomen en struiken zoals parken, gemengde en loofbossen. Behoeft hogere bomen dan Fitis.

Voedsel
Voornamelijk insecten. Foerageert vaak op de grond.

Eieren
Aantal eieren in legsel 4-9, varieert per gebied. In twee broedsels meestal 4-5. Rondachtig. Glad en glanzend. Wit. Schaars bezet met fijne spikkels of kleine vlekjes in donker purperachtig-bruin of purper, zwart, of zeldzamer roodachtig-bruin; de tekens zitten vaak hoofdzakelijk aan de stompe pool. Formaat 15,1 x 12,1 mm.

Geluiden
Roep 'whiet'. Zang monotoon 'tjif tjaf tjif tjaf'. Iberische tjiftjaf heeft gevarieerdere zang, die begint en eindigt met korte 'tit'-roepjes en langgerekte 'tswie-frases' bevat.

Publicatie