Overslaan en naar de inhoud gaan

Tjiftjaf Phylloscopus collybita

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Phylloscopus [genus]
(17 soorten in totaal / 3 gevestigd)
collybita [soort] (2/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

De verspreiding van de Tjiftjaf in Nederland is bijna landdekkend, aangezien hij in 97% van de atlasblokken is vastgesteld als waarschijnlijke of zekere broedvogel. Alleen boomloze gebieden zoals kwelders, jonge duinen en zandplaten in het Waddengebied moeten het stellen zonder Tjif­tjaf. De (punt)relatieve dichtheidskaart toont aan dat de soort overal op de zandgronden talrijk is. Kleigebieden worden geenszins gemeden, mits er voldoende bos is zoals in het oostelijk deel van het rivierengebied en in Flevoland. In het Drents-Friese grensgebied, Twente, de Achterhoek, het IJsseldal, langs de Veluweranden, aan weerszijde van de Utrechtse Heuvelrug en in de bosgebieden van Noord-Brabant en Limburg behaalt de Tjiftjaf een hoge relatieve dichtheid over grote oppervlakte. Hier liggen veel oude loof- en gemengde bossen, waar dichtheden tot 45-65 paren per 100 ha gewoon zijn (o.a. van den Brink et al. 1996). In Flevoland zijn concentraties zichtbaar in de vrij recent aangelegde bossen, zoals rond Lelystad en in het Horsterwold. Tjif­tjaffen verschijnen in deze bossen ongeveer vijf jaar na aanplant en bereiken bij een ouderdom van 10-20 jaar dichtheden van 55-100 paren per 100 ha (R.F.J. van Beusekom & G.A. Morel ongepubl.). Dergelijke dichtheden zijn ook in moerasbossen gebruikelijk. In het noorden en westen van het land zijn minder gebieden te vinden waar de Tjiftjaf echt talrijk is. Buitenplaatsen in de binnenduinrand en aangelegde parken in en rond grote steden hebben hier veel aantrekkingskracht. De tot bos uitgegroeide grienden van de Biesbosch zijn eveneens ware Tjif­tjaf-haarden. Uitermate schaars is deze soort in gebieden met weinig bos of opgaande beplanting, zoals in de zeekleigebieden van Groningen, Friesland en het Deltagebied, en in de open veenweidegebieden in het Groene Hart van Holland.

Veranderingen

Ten opzichte van de periode 1973-77 heeft de Tjiftjaf zich in bijna 110 atlasblokken gevestigd als nieuwe broedvogel. Vooral de winst in Zuidelijk Flevoland en in de Kop van Noord-Holland valt op. De aanplant van vele duizenden hectares loofbos in Zuidelijk Flevoland en de aanleg van beplantingen in voorheen kale Hollandse veenweidegebieden en droogmakerijen maakten deze gebieden aantrekkelijk voor vestiging. Voorts bezette de Tjiftjaf nieuwe gebieden op de Waddeneilanden, in het noordelijk zeekleigebied en op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden. Het Lauwersmeer werd geschikt door spontane bosvorming en aanplant van bos na de inpoldering van dit gebied. Niet zichtbaar op de kaart, maar wel opvallend is dat de Tjiftjaf in de Biesbosch een van de talrijkste zangvogels is geworden. Hij profiteerde hier van de verbossing, volgend op het staken van de griendcultuur en het wegvallen van het getij (Meijer 1995). Ook in moerasgebieden leidde verbossing tot een toename van de Tjiftjaf, zoals is vastgesteld in het Vechtplassengebied (Ruiten­beek et al. 1990) en bij Nieuwkoop (Veldkamp 1998). De broedvogelindexen tonen aan dat de aantallen in de laatste decennia geleidelijk zijn toegenomen, variërend van een 50% toename in loofbos tot een vervijfvoudiging in agrarisch gebied en een vertwaalfvoudiging in duingebieden. Verschillende factoren hebben hieraan bijgedragen, zoals de toename van het bosareaal in Nederland (waarbij vooral de grootschalige aanplant op de voedselrijke kleibodems van Flevoland garant stond voor optimale broedhabitat), de aanleg van parken en wegbeplanting in stedelijke centra en voorheen open landelijk gebied, en de toegenomen ouderdom van bossen. Belangrijk in dit kader is ook de verruiging van de ondergroei in bossen als gevolg van verdroging, verzuring en vermesting. Deze processen, die grootschalig in Nederland optreden, hebben een gunstige bijwerking voor deze soort. De Tjiftjaf bouwt zijn nest namelijk doorgaans in dichte vegetatie op de grond of vlak daarboven. Van 128 in 1994-97 vooral rond Nijmegen gevolgde nesten in droog loofbos was 71% gebouwd in of bevestigd aan bramen (soms in combinatie met grassen) en 9% in brandnetels. In moerasbos ging het om 25 resp. 33% van 94 nesten (F. Hustings pers. med.). Ook in het buitenland vormen braam en brandnetel, die sterk geprofiteerd hebben van genoemde milieuprocessen, belangrijke nestplaatsen (Rodrigues & Crick 1997). Of de toename ook bevorderd is door de veronderstelde geleidelijke klimaatverandering, valt nog te bezien. Tjiftjaffen lijken op de gestegen gemiddelde voorjaarstemperaturen te reageren door een vervroeging van de aankomstdatum (Bijlsma et al. 2001). Aangezien er bij Tjiftjaffen een duidelijke relatie bestaat tussen de gemiddelde voorjaarstemperatuur en het begin van de nestbouw (Schönfeld 1980), zou dit een vroegere start van het eerste broedsel, een verlenging van het broedseizoen en een groter aandeel tweede broedsels kunnen betekenen. Vooralsnog wijst echter niets erop dat de Nederlandse Tjiftjaffen aan deze verwachting beantwoorden.

Aantallen

bmp- en atlasgegevens komen uit op 590.000 paren. Omdat de rijkere bossen in bmp-gegevens de overhand hebben, wordt de schatting op 550.000-600.000 paren gehouden. Ter vergelijking: rond 1980 kwam de schatting uit op 125.000-225.000 paren.

Bron

Auteur(s)

Morel, T.G.A.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.