Overslaan en naar de inhoud gaan

Roodborst Erithacus rubecula

Foto: Gerard Blokhuis

Indeling

Muscicapidae [familie]
Erithacus [genus] (1/1)
rubecula [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

De broedzekerheidskaart, die een aanwezigheid toont in 91% van de atlasblokken, moet behoorlijk volledig zijn. Het riedeltje van de Roodborst is immers het hele voorjaar te horen, waardoor de soort nauwelijks wordt gemist. In maart willen doortrekkers in het open cultuurland nog wel eens een liedje prevelen, wat de waarnemer in sommige blokken misschien op het verkeerde been heeft gezet.

De verspreidingskaart toont alleen leemtes op de Wadden­eilanden en lokaal in Laag-Nederland. Op de Waddeneilanden bieden strandvlaktes, kwelders en open duinen geen mogelijkheden tot broeden. In het noorden van het land ontbreken ze voorts in delen van het akkergebied van Noordwest-Friesland, Noord- en Oost-Groningen. In West-Nederland worden gebieden als de Beemster, Waterland, het kassengebied van het Westland en grote delen van de Alblasserwaard-Vijfherenlanden gemeden. In het Deltagebied zijn Roodborsten in alle akkergebieden schaars, aansluitend op een eveneens karige bezetting van het westen van België (Devillers et al. 1988). De gebieden waar vrijwel geen Roodborsten broeden hebben gemeen dat bos of grotere boomgroepen met een rijke ondergroei ontbreken. Dit geeft aan dat opgaande bomen en beschutting van struik- en kruidvegetaties van belang zijn voor deze bodembroeder.

De relatieve dichtheidskaart toont een talrijk voorkomen in alle bosrijke streken op de zandgronden en in de duinstreek. De bosgebieden op kleibodems doen daar nauwelijks voor onder. De ligging van jonge polderbossen (Lauwersmeer, Robbenoordbos bij Wieringen, Horsterwold en Reve-Abbert in Flevoland) is dan ook op de kaart terug te vinden. In natte bossen van enige omvang, zoals in de Biesbosch, voelt de Roodborst zich eveneens thuis. Dennenbossen op schrale bodems, vooral op de Veluwe en in Noord-Brabant, hebben vaak nogal lage dichtheden als gevolg van een slecht ontwikkelde ondergroei. Deze nuances in dichtheden zijn op de relatieve dichtheidskaart echter niet terug te vinden; Roodborsten zijn zelfs bij een lage (relatieve) dichtheid nog zo algemeen dat het een huzarenstukje is om ze enkele minuten te ontlopen. Ook in besloten cultuurlandschap zijn volop Roodborsten te vinden, wat in de lage delen van Nederland opvalt in de singellandschappen rond Surhuisterveen (Friesland), Zuidelijk Westerkwartier (Groningen) en Steenwijk-Ruinerwold (Overijssel/Drenthe). In de hoge delen van het land ontbreekt de soort zelden in besloten cultuurland. In de duinstreek wemelt het vooral in het kalkrijke deel (vanaf Schoorl verder zuidwaarts) van de Roodborsten. In steden en dorpen met veel groen zijn Roodborsten eveneens goed vertegenwoordigd. In bosarme provincies kunnen dit zelfs regionale bolwerken zijn. Zo lichten in het geval van Noord-Holland de urbane zones rond Purmerend en Amsterdam/Amstelveen op de kaart rood op.

Veranderingen

In vergelijking met 1973-77 is het broedareaal uitgedijd, al is het bijna exclusief in Laag-Nederland. In het oog springende uitbreidingskernen vinden we in het noorden van Groningen en Friesland, Noord-Holland benoorden het Noordzee­kanaal, Zuidelijk Flevoland rond Almere, in het Groene Hart van Holland en in het Deltagebied. De weinige blokken waar Roodborsten verdwenen zijn, liggen overigens eveneens vooral in het Delta­gebied; het is onbekend of dit toevallig is.

De opmars in Laag-Nederland is het gevolg van de toename van geschikte broedhabitat in de laatste decennia. Zo is in open agrarisch gebied bos aangeplant en zijn tal van lommerrijke recreatieterreinen aangelegd. Langs veel nieuwe polderwegen werden brede groenstroken aangeplant, vaak bestaande uit es of populier met een dichte ondergroei van meidoorn. Daarnaast is het groen in tuinen en plantsoenen in nieuwbouwwijken ouder en gevarieerder, en daardoor geschikter, geworden als broedhabitat. In Nieuwegein bijvoorbeeld is de lokale populatie Roodborsten daardoor in 20 jaar verzesvoudigd (Abel et al. 1999). Op Walcheren en Schouwen-Duiveland is de broedgelegenheid met het ouder worden van de aanplant rond kreken en andere bosschages toegenomen, nadat deze eerder zwaar te lijden had gehad door toedoen van de stormvloed van 1953 (Vergeer & van Zuylen 1994).

De geleidelijke uitbreiding is in de loop van de 20e eeuw begonnen, vermoedelijk als gevolg van grootschalige aanplant van bos. De meeste Waddeneilanden zijn pas rond het midden van de 20e eeuw bezet (Bijlsma et al. 2001). De lange-termijn trends in de duinen, loofbossen en het agrarisch gebied laten al vanaf de jaren zeventig of eerder een persistente toename zien, af en toe onderbroken door strenge winters. Een vergelijkbare lichte toename ten gevolge van (her)bebossing is vastgesteld in Denemarken (Grell 1998) en plaatselijk in Frankrijk (Yeatman-Berthelot & Yarry 1994).

Aantallen

Op grond van het atlasmateriaal en bmp (uitkomend op 360.000 paren, wat vermoedelijk door methodologische problemen te laag is) kan de Nederlandse broedpopulatie rond de eeuwwisseling op 350.000-450.000 paren worden geschat, waarmee de Roodborst tot de talrijkste broedvogels van Nederland behoort. De meest betrouwbare vorige schatting kwam uit op 275.000-375.000 paren in 1979-85.

Bron

Auteur(s)

Vogel, R.L.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.