Overslaan en naar de inhoud gaan

Zwarte roodstaart Phoenicurus ochruros

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Phoenicurus [genus]
(2 soorten in totaal / 2 gevestigd)
ochruros [soort] (2/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Op de hoge gronden is tegenwoordig vrijwel ieder atlasblok bezet, ook als er geen stad, dorp of industrieterrein in voorkomt. Daar waar de blokken voornamelijk bestaan uit bos, zoals op de Veluwe, kunnen er reële hiaten in het verspreidingsbeeld ontstaan. Lege plekken in agrarische gebieden (met bijbehorende boerderijen), zoals hier en daar in Dren­the en de Gelderse Vallei, duiden veeleer op onvolledig onderzoek. Ook in het nattere Laag-Nederland begint zo langzamerhand een aaneengesloten verspreiding te ontstaan, althans op het niveau van atlasblokken. Opvallende hiaten zijn er nog in Oostelijk en Zuidelijk Flevoland, de vochtige veenweidegebieden in Noord- en Zuid-Holland en verschillende zeekleipolders in het Deltagebied. Het betreft over het algemeen grootschalige, weinig bevolkte gebieden met dientengevolge slechts weinig bebouwing, opstallen of nieuwbouw.

Uit de dichtheidskaart blijkt nog veel duidelijker de voorkeur voor de hoge gronden. In het oog springende concentraties komen voor in Oost-Groningen, hier en daar in Over­ijssel, in de Achterhoek, plaatselijk in Noord-Brabant (rond Veghel en Cuijk) en in Zuid-Limburg. Meestal gaat het om agrarische gebieden met veel boerderijen en uitdijende dorpen, waar vaak in de nieuwbouw wordt gebroed. Veel auteurs vinden dat de Zwarte Roodstaart vooral in stedelijk gebied in zijn element zou zijn. Anders dan verwacht zijn echter de grotere steden als Assen, Emmen, Zwolle, Apeldoorn, Arnhem, Nijmegen, Tilburg en Eindhoven op de kaart nogal leeg, wat ook geldt voor de Mijnstreek van Zuid-Limburg. Dit is echter gedeeltelijk een onderzoeks­artefact. Zoals uit talloze lokale en regionale onderzoeken blijkt, herbergen veel van deze steden beslist flinke populaties, vooral in de oude kernen van vóór 1920, in nieuwbouwwijken en op bedrijventerreinen. De tussenliggende woonwijken van andere leeftijd zijn veel minder geschikt. Bepalend is niet zozeer de leeftijd van de bebouwing als wel de aanwezigheid van open grond; door de aanleg van tuinen en plantsoenen is dit in middeloude woonwijken een schaars goed. Uiteraard zijn de grote beboste gebieden van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug vrijwel leeg. Opvallende uitzondering in dit opzicht is de goed beboste Brabantse Wal bij Bergen op Zoom, waar toch een hoge dichtheid werd gevonden. Mogelijk spelen hier kleinschalige agrarisch gebieden met buurtschappen een rol, of was de intensiteit van onderzoek de doorslaggevende factor.

In Laag-Nederland blijven de dichtheden in grote open polders met weinig bebouwing zeer laag, terwijl grote steden als Amsterdam, ’s-Gravenhage en Rotterdam er nauwelijks uitspringen. Ook de Waddeneilanden en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse Eilanden zijn karig bedeeld. Toch zijn er ook hier uitzonderingen, waaronder Den Helder en de stad Groningen.

Veranderingen

Het is zonneklaar dat de Zwarte Roodstaart in de kwarteeuw tussen beide atlasprojecten enorm is toegenomen, zowel in aantallen als verspreiding. Het aantal zeker en waarschijnlijk bezette atlasblokken groeide van ruim 1000 midden jaren zeventig (via rond 1130 begin jaren tachtig; sovon 1987) tot bijna 1390 nu. De grootste toename in de verspreiding is uiteraard te vinden in Laag-Nederland; de rest was al tijdens de vorige atlas vrijwel aaneengesloten bezet. In sommige delen van Friesland, Groningen en West-Nederland werden hele concentraties blokken gevonden waar de soort zich heeft gevestigd tussen beide atlassen in. De blokken in het midden van Noord-Brabant die nu voor het eerst als bezet werden gemeld, waren waarschijnlijk al eerder bewoond maar tijdens de eerste atlas onvoldoende onderzocht. Bij de weinige blokken waar de soort niet meer gemeld is, mogen we ervan uitgaan - zeker op de hoge gronden - dat het huidige onderzoek plaatselijk onvoldoende was, of dat het om zeer kleine aantallen ging. De uitbreiding over Nederland past binnen de opmars in noordelijke en westelijke richting die vanaf het midden van de 19e eeuw in Noordwest-Europa plaatsvond, en gedurende de gehele 20e eeuw aanhield (Blair & Hagemeijer 1997).

Aantallen

Helaas is de Zwarte Roodstaart altijd het stiefkindje van de meeste inventariseerders geweest, die er weinig voor voelden sterk bebouwde gebieden te onderzoeken. Oude aantalsschattingen waren dan ook vaak te laag (in 1973-77 geschat op 3000-4000 paren, in werkelijkheid meer dan 10.000; Bijlsma et al. 2001) terwijl informatie uit de huidige stadsplots ontoereikend is voor een betrouwbare berekening. Voor de schatting van de Nederlandse populatie zijn de dichtheden op de zandgronden doorslaggevend, variërend van 0,8-1,5 paren per 100 ha in agrarisch gebied tot 5-10 per 100 ha in bebouwd gebied, met vooral op industrieterreinen uitschieters tot meer dan 25 per 100 ha. In Laag-Nederland gaat het om minder dan 0,3 resp. 2-8 paren per 100 ha. Op grond van deze cijfers en recente regionale schattingen (vgl. Bijlsma et al. 2001) kan de totaalschatting op 27.000-37.000 paren worden gesteld. De populatie is momenteel vrijwel stabiel, maar in West-Nederland valt nog enige aantalstoename te verwachten.

Bron

Auteur(s)

Teixeira, R.M.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.