Overslaan en naar de inhoud gaan

Roodborsttapuit Saxicola rubicola

Foto: Ab H. Baas

Indeling

Muscicapidae [familie]
Saxicola [genus] (4/2)
rubicola [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Sterke toename
Trend laatste 10 jaar: Sterke toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

De makkelijk inventariseerbare Roodborsttapuit vertoont een voorkeur voor zandgronden, met bolwerken in Dren­the, op de Veluwe en Utrechtse Heuvelrug, in de duinen en bezuiden de Grote Rivieren. Klei- en laagveengebieden worden amper bevolkt. Toch is deze tweedeling niet waterdicht. Zo broedt de soort op de zeeklei van het Lauwersmeer, Flevoland, Goeree-Overflakkee, Beveland, Zeeuws-Vlaanderen en westelijk Noord-Brabant, en op de rivierklei in de Gelderse Poort bij Nijmegen. Omgekeerd komen er hiaten van betekenis voor in Twente, de Achterhoek, tussen Veluwe en IJssel­dal en in de Gelderse Vallei.

Hoge dichtheden zijn vooral te vinden in de heide- en hoogveengebieden van Zuidwest-Drenthe, de Veluwe, Noord-Brabant en Limburg. Dichtheden van 5-10 paren per 100 ha zijn hier normaal en niet zelden lopen ze op tot het dubbele. Blokken die veel heide of hoogveen bevatten, herbergen doorgaans meer dan 25 paren. In cultuurland is de soort rela­tief goed vertegenwoordigd in Zeeuws-Vlaanderen, her en der in Noord-Brabant (op zand) en Midden-Limburg (vooral omgeving Nederweert, Heythuysen en Swalmen). De dichtheden in cultuurland bedragen meestal 0,3-1 paar per 100 ha. Langs de kust worden vooral tussen ’s Gravenhage en Camperduin dichtheden bereikt die niet onderdoen voor die in de heide- en hoogveengebieden.

Veranderingen

Ten opzichte van 1973-77 is veel terrein verloren in zuidoostelijk Drenthe, in Twente, de Achterhoek, het rivierengebied en Zuid-Limburg. Winst is geboekt in nieuw ontstane habitat (Lauwersmeer, Flevoland, deels ook Deltagebied) maar ook elders, zoals in Westerwolde in Groningen. Deze verschillen hebben deels te maken met habitatfactoren.

De Nederlandse populatie huisde lange tijd vooral in agrarisch cultuurlandschap. Eind jaren zeventig en begin jaren tachtig, net na de vorige atlas, trad hier een aanzienlijke afname op door intensivering van het grondgebruik. De afname in het cultuurland van de Kempen bedroeg minstens 75% (Heijnen 1986) terwijl de soort vrijwel werd weggevaagd uit het agrarisch gebied in Drenthe, de Achterhoek, het rivierengebied en Zuid-Limburg (Hustings 1986). Eind jaren tachtig en begin jaren negentig werd het dieptepunt bereikt (en zou de kaart veel leger zijn geweest dan nu). De geheel in cultuurland broedende populatie van Zeeuws-Vlaanderen vertoonde een tegendraadse ontwikkeling, met gestage groei vanaf de jaren tachtig, slechts kortstondig onderbroken door drie strenge winters die medio jaren tachtig tot diep in de overwinteringsgebieden doordrongen (Castelijns & van Westrienen 1994). Wonderlijk genoeg herstelde de populatie in cultuurland zich regionaal in de jaren negentig, soms zelfs spectaculair. In een deel van Midden-Limburg namen de aantallen tussen 1991-92 en 1998-2000 toe van 47 naar 221 paren (gegevens Provincie Limburg) en in cultuurland in het oosten en midden van Noord-Brabant tussen 1983-87 en 1998-2000 van 368 naar 936 paren (Provincie Noord-Brabant, P. Martens pers. med.). Van een vergelijkbaar herstel in het cultuurland van Drenthe, Twente, de Achterhoek, het rivierengebied en Zuid-Limburg is (nog?) geen sprake.

De ontwikkelingen in natuurgebieden waren anders. In heide­gebieden en hoogveenreservaten namen de aantallen ten tijde van de neergang in cultuurland niet of nauwelijks af. Vanaf medio jaren tachtig zijn ze gegroeid tot niet eerder bereikte hoogtes. Het terreinbeheer dat in zwang kwam - kap van verboste terreinen gevolgd door extensieve begrazing - speelde de soort in de kaart (van den Brink et al. 1996, Hustings & van Noorden 1999). De toename in de duinen in de jaren negen­tig, na eerdere fluctuaties, wordt in verband gebracht met uitbreiding van duinstruweel na decimering van de konijnen­stand door ziektes (Veenstra & Geelhoed 1997).

Al met al heeft de soort dus roerige tijden achter de rug. De vraag is, hoe de Roodborsttapuit zich in Zuid-Nederland tegen de verdrukking in heeft weten te herstellen. Mogelijk fungeerden nabijgelegen natuurgebieden met een omvangrijke broedpopulatie als bron toen in het cultuurlandschap nieuwe broedmogelijkheden ontstonden (Hustings & van Noorden 1999). Zo vormen recent ingerichte natuurontwikkelingsgebieden, een uitvloeisel van het in 1990 gelanceerde Natuurbeleidsplan, vaak goede kraamkamers voor de Roodborsttapuit. Dat herstel in het rivierengebied en in de Achter­hoek vooralsnog uitbleef, ondanks vergelijkbare initiatieven, kan een gevolg zijn van het ontbreken van bronpopulaties in natuurterreinen hier. Of dit ook geldt voor het rijker met heide en hoogveengebieden bedeelde Twente, is onduidelijk.

Aantallen

De schattingen per atlasblok suggereren dat er ruim 7000 paren in Nederland voorkomen. Dat is aanzienlijk meer dan gedacht (Bijlsma et al. 2001), zelfs nog meer dan de geschatte 4100-5800 paren ten tijde van de vorige atlas, om te zwijgen van de 1600-2300 begin jaren tachtig (Hustings 1986). Omdat de 60 blokken met meer dan 25 paren een forse maar moeilijk controleerbare duit in het zakje doen, en alleen de hoogste schattingen zijn doorberekend, wordt een voorzichtige schatting van 6500-7000 paren aangehouden. Zelfs dan is het echter duidelijk dat de soort weer goede tijden beleeft. Wel vond een verschuiving plaats van cultuur- naar natuurgebieden. Medio jaren zeventig broedde driekwart nog in het agra­risch gebied, tegenwoordig eenderde of minder. 

Bron

Auteur(s)

Noorden, B. van

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.