Overslaan en naar de inhoud gaan

Kramsvogel Turdus pilaris

Foto: Marcel Holtjer

Indeling

Turdidae [familie]
Turdus [genus] (10/4)
pilaris [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

In 8% van de Nederlandse atlasblokken zijn aanwijzingen voor broeden gevonden. In bijna de helft zijn echter alleen mogelijke broedgevallen geconstateerd. Dit zal vaak late doortrekkers betreffen, die tot in mei passeren. Mogelijk geldt dit ook voor een klein deel van de waarschijnlijke broedgevallen; misschien zijn paarsgewijs verblijvende vogels wel eens wat snel voor waarschijnlijke broedparen versleten. Daar staat tegenover dat individuele broedparen zich in de eifase onopvallend gedragen en gemakkelijk gemist worden. De in semi-koloniaal verband broedende Kramsvogels, met hun uitbundige getjakker en groepsgewijze achtervolging van predatoren, kunnen amper over het hoofd worden gezien. Er mag vanuit worden gegaan dat de verspreidingskaart een weliswaar niet geheel compleet, maar wel redelijk tot goed beeld geeft van het huidige voorkomen.

In 37 blokken zijn zekere broedgevallen geconstateerd, voor het merendeel in Zuid- en Midden-Limburg, vanouds het bolwerk van de Nederlandse populatie, en de Achterhoek. Verder komt de soort verspreid voor over de oostelijke helft van Nederland, met geïsoleerde broedgevallen tot in Noord-Groningen, de Noord-Veluwe, de Gelderse Vallei en het westelijk rivierengebied. De dichtheden zijn in Nederland gewoonlijk laag. Buiten Limburg zijn nergens vier of meer paren per atlasblok vastgesteld. In Zuid- en Midden-Limburg is het beeld anders. Broeden in kleine kolonies is hier normaal. De grootste kolonie in de atlasperiode omvatte 22 nesten en bevond zich in 2000 in de Eijsder Beemden bezuiden Maastricht (Kurstjens & van der Weide 2001). Het verspreidingsbeeld is niet goed verklaarbaar op grond van de habitatvoorkeur. De Limburgse Kramsvogels prefe­reren een afwisseling van enigszins natte graslanden en boom­groepen, hier vooral hoogstamboomgaarden, populierenbosjes en singels (vaak in beekdalen). Ze bewonen landschappen die, afgezien van het heuvelachtige karakter, ook elders in Nederland voorkomen. De Limburgse verspreidingskern sluit aan op die in België (Wallonië en zuidwestelijk deel Belgisch-Limburg), terwijl ook het aangrenzende Rijnland in Duitsland beter bezet is dan de meer noordelijke deelstaten.

Veranderingen

De huidige verspreidingskaart vertoont gelijkenis met die in de vorige atlas. Ook in 1973-77 vormde Zuid-Limburg het belangrijkste broedgebied binnen Nederland. De kolonisatie van ons land was toen in feite net op gang gekomen. Sinds de vorige atlas nieuw bezette gebieden zijn vooral te vinden in Midden-Limburg en de Achterhoek, regio’s die net na de vorige atlasperiode werden bezet. In Zuidwest-Drenthe zijn recent amper meer Kramsvogels vastgesteld. Wat uit de vergelijking van kaarten niet tot uiting komt, is dat de populatie juist tussen beide atlasperioden in een enorme groei en even ontstellende neergang heeft doorgemaakt. Aantalsschattingen die voor de Nederlandse populatie beschikbaar zijn, geven de groei aan van 1 paar (1972) naar 20-30 (1975), 50-60 (1977) en 250-300 (1981). Ten tijde van de top rond 1986-90 omvatte de populatie 700-900 paren, waarna een scherpe daling volgde tot 300-350 paren in 1995 (Bijlsma et al. 2001). Momenteel is de Nederlandse populatie nog aanzienlijk kleiner. De voormalige bolwerken zijn inmiddels geen schim meer van weleer. Dit geldt zowel voor Zuid-Limburg (vestiging vanaf begin jaren zeventig, groei naar 516-531 paren in 1984, afname tot 230 paren rond 1997 en mogelijk slechts 65 in 2001) als Midden-Limburg (kolonisatie vanaf begin jaren tachtig, in Roerdal 26 paren in 1990, 18 in 1994, slechts enkele tijdens de atlasperiode) (Hustings & Ganzevles 1984, Boeren 1990, Ovaa 1998). Gebieden die eveneens lange tijd bezet waren en waar tijdens de top tientallen paren voorkwamen, zoals de oostelijke helft van Noord-Brabant (tijdens piek 35-50 paren), de Achterhoek (70) en Zuidwest-Drenthe (80) raakten in de jaren negentig hun Kramsvogels eveneens grotendeels kwijt (Bijlsma et al. 2001).

In aangrenzend Vlaanderen is dezelfde aantalsontwikkeling vastgesteld. In Belgisch-Limburg groeiden de aantallen van 100 paren omstreeks 1985 naar 1500-3000 rond 1992 (gabriëls et al. 1994). Daarna volgde een enorme kentering, die echter nog niet gekwantificeerd is. Uit het atlasproject in Vlaanderen, iets later uitgevoerd dan het Nederlandse onderzoek, blijkt dat de verspreiding sterk afneemt en dat de soort zich in oostelijke richting lijkt terug te trekken (G. Vermeersch pers. med.). In de Ardennen en het Rijnland is de soort eveneens op zijn retour. De gesuggereerde redenen van de afname (in Limburg: verhoogde predatie door kraaiachtigen, verslechtering van voedsel­aanbod door omzetten van grasland in akkers en verdroging van resterende graslanden; Ovaa 1998) kunnen de achteruitgang niet geheel verklaren. Perioden van raadselachtige voor- en tegenspoed - op Europese schaal - zijn bij de Kramsvogel ook uit het verleden bekend.

Aantallen

Een optelling van de geschatte aantallen per atlasblok komt uit op 230 paren. Omdat lang niet ieder blok jaarlijks bezet was en bij deze schatting alleen de hoogste aantallen in drie jaren zijn verwerkt, bedroeg de populatie in 1998-2000 maximaal 150-200 paren. In 2001 zakte dit vermoedelijk tot 80-130 paren.

Bron

Auteur(s)

Ovaa, A.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.