Overslaan en naar de inhoud gaan

Grauwe gors Emberiza calandra

Indeling

Emberizidae [familie]
Emberiza [genus] (17/4)
calandra [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Sterke afname
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Tijdens dit onderzoek is de Grauwe Gors in slechts 53 atlasblokken waargenomen. In eenderde hiervan bleef het boven­dien onduidelijk of de soort er broedde. De verspreiding is in hoofdlijnen beperkt tot voedselrijke kleibodems (zee- en rivierklei) en leem (löss). Drie regio’s vormden in de atla­s­periode nog een enigszins aaneengesloten verspreidings­gebied: het zuidelijk Maasdal in Limburg, het Gelderse rivierengebied en oostelijk Zeeuws-Vlaanderen. Mondjesmaat zijn elders geïsoleerde en doorgaans tijdelijke vestigingen gemeld. De aantallen per atlasblok zijn steevast zeer laag. Het enige atlasblok met meer dan 10 paren lag aan de Maas bij Borgharen-Itteren (13 zangposten in 1998). In het Limburgse Maasdal broeden Grauwe Gorzen in de leemrijke weerden tussen Maastricht en Neer. Het gaat hier om open agrarisch landschap met een afwisseling van bouwland, weiland en soms hooiland. Meestal is enig reliëf aanwezig in de vorm van oude stroomgeulen. In Gelderland zit de hoofdmoot langs de Waal, voornamelijk op de trajecten Rossum-Tiel en in de Gelderse Poort tussen Lent-Kekerdom. De voorkeur gaat uit naar uiterwaarden met hoger gelegen zandige oeverwallen en lager gelegen slibrijke delen die langdurig en tot laat in het voorjaar overstromen. Grauwe Gorzen vestigen zich hier overwegend in (extensief benutte) weiden en hooilanden; ook Veldleeuwerik, Graspieper en Gele Kwikstaart behalen hier vaak een hoge dichtheid. In Zeeuws-Vlaanderen komen Grauwe Gorzen zowel buitendijks voor (beweide kwelders) als binnendijks (hakvrucht- en graanakkers).

Gedurende de atlasperiode namen de aantallen in Limburg af van ruim 30 paren in 1998 tot 16 in 2000 (45 resp. 30% van de Nederlandse populatie). Dit is de voortzetting van een structurele afname. Omdat de Zeeuws-Vlaamse populatie eveneens op instorten staat (maximaal zes paren in de atlasperiode), herbergt het Gelderse rivierengebied met rond 25 paren momenteel de laatste bolwerkjes in Nederland.

Veranderingen

Ten opzichte van 1973-77 vertoont de Grauwe Gors een onthutsende achteruitgang. De afname kreeg zijn beslag vooral vanaf begin jaren tachtig. Of het om Groningen, het rivierengebied, Zeeuws-Vlaanderen of Limburg gaat, overal is de kaart schrikbarend leeg geworden. In de akkerbouwgebieden van Oldambt en Noord-Groningen is de soort sinds 1985 niet meer aangetroffen (130-150 paren in 1975). Mogelijk speelt de overschakeling van winter- op zomergranen hier een hoofdrol. Stoppelvelden - belangrijk in herfst en winter - waren daarmee niet meer voorhanden (Hustings 1997b). In het Limburgse Heuvelland is de Grauwe Gors op de valreep van het atlasproject zo goed als verdwenen (van 380-390 paren in 1975 naar 4 in 2000). De Maasterrassen van Noord- en Midden-Limburg, de Peel­regio rondom Weert en de Brabantse Maaspolders zijn reeds jaren verstoken van Grauwe Gorzen. De soort broedde in al deze gebieden op open maar gevarieerd akkerland met granen afgewisseld met suikerbieten en gras. De opkomst van maïsteelt ten koste van granen deed de Grauwe Gors de das om. Maïsteelt vormt in zowel broedtijd als winter volmaakt ongeschikte habitat (Hustings et al. 1990). Langs de Limburgse Maas weet de soort zijn bestaan nog iets te rekken (tien paren in 2000). Midden jaren negentig vormden tot in het voorjaar durende overstromingen (beginnend in resp. december 1994 en januari 1995) een regionale opsteker! Het aantal zangposten verdubbelde in 1994 tot ca. 70 (Kurstjens et al. 1995), in 1995 stokte de teller bij 40. Daarna zette de afname in het Maasdal door, met als belangrijkste oorzaken de afgraving van cultuurland vanwege grootschalige grindwinning in Midden-Limburg, de omzetting van grasland in akkers en de opkomst van maïsteelt. Ook aan Vlaamse zijde van de Maas zijn Grauwe Gorzen vrijwel verdwenen (J. Gabriëls pers. med.). In Zeeuws-Vlaanderen (zeker 105-135 paren rond 1975) nam het aantal om onduidelijke redenen snel af vanaf de jaren tachtig. Hier overwinterden in het verleden forse aantallen, vooral op schorren; zouden de overwinteringsomstandig­heden verslechterd zijn? Langs de uiterwaarden van Waal en Rijn (ruim 200 paren in 1975) is de soort verdwenen tussen Nijmegen-Tiel en in de uiterwaarden van de Bommelerwaard, een gevolg van intensivering van graslandgebruik en omzetting van grasland in (maïs)akkers. De restpopulatie vertoont sterke jaarlijkse fluctuaties, mogelijk verband houdend met de rivierafvoer (meer territoria bij relatief lage afvoeren in mei-juni), en lijkt hier en daar te profiteren van een op verschraling gericht botanisch beheer.

Aantallen

In 1998-2000 broedden vermoedelijk hooguit 50-100 paren in Nederland, een fractie van het aantal rond 1975: 1100-1250 paren (Hustings et al. 1990). Omdat de negatieve tendens aanhoudt, en het toekomstig beheer van uiterwaarden (rivierbedverlaging, begrazing gedurende het gehele jaar), voor Grauwe Gorzen weinig houvast biedt, bestaat de kans dat de soort over 25 jaar te boek staat als voormalige broedvogel.

Bron

Auteur(s)

Kurstjens, G.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.