Overslaan en naar de inhoud gaan

Sneeuwgors Plectrophenax nivalis

Foto: Piet Glasbergen

Indeling

Plectrophenax [genus]
(1 soorten in totaal / 0 gevestigd)
nivalis [soort] (2/0)

Herkenning
16,5 cm. Mannetje in broedkleed met zwarte rug en middelste staartpennen, rest van verenkleed puur wit. In winterkleed zijn de witte delen roestbruin en is de rug warm bruin en zwart gevlekt. Vrouwtje 's zomers met grijsbruine kop en rug met zwarte vlekking; 's winters eender maar minder duidelijk getekend.Kop zonder opvallende streping. Snavel in de zomer geheel donker, in de winter licht gekleurd met donkere punt. In alle seizoenen met grote witte vlekken op bovenvleugel. Heeft lichte, golvende vlucht. Buiten broedseizoen in groepen.

Verspreiding en voorkomen
Broedt aan de kusten van Noord-Canada, Groenland, Scandinavië, IJsland en Rusland. Overwintert in Zuid-Canada, de Verenigde Staten, aan de noordelijke kusten van het Verenigd Koninkrijk, West- en Oost-Europa tot en met Oost-Rusland. In Nederland doortrekker en wintergast in klein aantal.

Biotopen
Overwinteren aan de kust in open gebieden zoals stranden, zeereep, kwelders, dijken en braakliggend terrein.

Voedsel
's Zomers insecten en zaden; buiten broedseizoen voornamelijk zaden.

Eieren
Aantal eieren in legsel meestal 4-6, zelden 7-8. Buikig, glad en glanzend. Zeer lichtblauw of groenachtig-blauw, zeer verschillend gevlekt en gespikkeld met licht roodachtig-bruin, donkerbruin, purperachtig-bruin, licht purperachtig-grijs en soms purperachtig-zwart. Tekens kunnen schaars zijn en geconcentreerd aan de stompe pool, of dichter en meer verspreid over de gehele schaal. Formaat 21,9 x 16,2 mm.

Geluiden
Roep in vlucht een ruisend 'tirrirriririp', meestal te horen in groepen. Heeft verschillende andere roepen, waaronder 'tiu'.

Publicatie