Overslaan en naar de inhoud gaan

Wielewaal Oriolus oriolus

Foto: Kees Venneker

Indeling

Oriolidae [familie]
Oriolus [genus] (1/1)
oriolus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Wielewalen zijn aangetroffen in ruim de helft van de atlasblokken. De belangrijkste verspreidingskernen liggen in het midden en oosten van het land. Mogelijke broedgevallen (15% van alle meldingen) stammen veelal uit dun beboste gebieden. Op grond van de zangactiviteit van mannetjes ligt een onderschatting in optimale gebieden en een overschatting in marginale habitat voor de hand. De beste kansen voor een goede telling doen zich begin mei voor, wanneer de mannetjes nog sterk rivaliserend zijn. Blokken met meer dan 10 paren worden alleen gemeld in bosrijk Zuidwest-Drenthe en aangrenzende delen van Friesland, de niet-verstedelijkte delen van Twente, de Achterhoek, de bossen van Flevoland, de Noord-Brabantse Meierij en de Peelstreek. Kleinere concentraties zijn zichtbaar in het rivierengebied (West-Betuwe), de Biesbosch, op de Brabantse Wal en in beekdalen in Noord-Brabant en Midden-Limburg (Roerdal). In Overijssel vallen het Huurnerveld bij Nijverdal, het Vechtdal (Dalfsen-Ommen) en de elzenmoerassen van De Wieden en De Weerribben op. Ook het voorkomen in de geïsoleerde bossen van Gaasterland en het hoevenlandschap in Zuidoost-Groningen is noemenswaard. In de meeste gevallen gaat het om vochtige tot natte bos­typen met schietwilg, peppels, es, iep of els als bepalende boomsoort. In droger bos komt altijd de zomereik als belangrijke soort naar voren. Alleen in de Brabants-Limburgse Peel is de Wielewaal talrijk in door berk gedomineerd bos. In westelijk Nederland zijn de vochtige duinbossen met esdoorn, eik en witte abeel op de Zeeuws-Zuid-Hollandse eilanden het best bezet, met verder noordelijk oplevingen bij Wassenaar en in Kennemerland. Op de Waddeneilanden zijn alleen op Vlieland zekere broedgevallen vastgesteld. De bossen van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug blijken weinig aantrekkelijk, alleen de vochtige randbossen (Neerlangbroek-Leersum) en beekdalen (Hierdense Beek) zorgen voor accenten met hooguit 4-10 broedparen per blok. Opvallend schaars gezien de schijnbaar geschikte habitat is de Wielewaal in de hellingbossen van Zuid-Limburg. Ook in de Friese Oude Venen en de Utrechts-Hollandse Vechtplassen komt de Wielewaal minder talrijk voor dan op grond van het areaal elzenbroek kon worden verwacht.

Veranderingen

Sinds 1973-77 is de verspreiding van Wielewalen ingrijpend veranderd. Het aantal bezette blokken is gedaald met 25%. In de oude verspreidingskernen, vooral in oostelijk Nederland, zijn grote gaten gevallen. Opvallend veel blokken bleken verlaten in Noordoost-Friesland, oostelijk Drenthe, op de Veluwe, in de Gelderse Vallei, westelijk Utrecht, noordelijk Noord-Holland, op Walcheren en Zuid-Beveland en op de Zuid-Limburgse plateaus. Het lijkt erop dat de soort zich in toenemende mate beperkt tot bosrijk gebied met optimale habitat in vochtig loofbos en eikenbos. Droog eiken-berken­bos heeft aan belang verloren, en dat geldt ook voor dennen­bos en gemengd bos met pioniers als lijsterbes, vogelkers en exoten als suikeresdoorn, Amerikaanse eik of Drents krentenboompje. In Laag-Nederland is enige terreinwinst geboekt. Het gaat hier meestal om vestiging in nieuw geplant loofbos op zavelige klei, zoals in het Lauwersmeer en Zuidelijk Flevo­land. In het Deltagebied zijn de op verzoete slikken gekiemde wilgenbossen langs Grevelingenmeer en Volkerakmeer door Wielewalen ontdekt. De ontwikkeling van ooibos langs Maas en Waal heeft eveneens tot nieuwe vestigingen geleid. De algemene trend voor Nederland wordt aan de hand van de broedvogelindex ingeschat als stabiel (van Dijk et al. 2001a), maar dit geeft een te rooskeurig beeld doordat enkele regio’s oververtegenwoordigd zijn in de steekproef. Meer of minder sterke afnames zijn bekend uit onder meer Texel, de Noordoostpolder, Zuidoost-Achterhoek, Zuidoost-Veluwe, Biesbosch, Oude Maas en Limburg (Bijlsma et al. 2001). De tot voor kort belangrijke populatie van Flevoland steunde op de bijna kaprijpe populieren (kloon zwarte populier) van de eerste generatie bos (Bijlsma 1995a) en bereikte rond 1990 wellicht haar hoogtepunt. Inmiddels is ze gedecimeerd (van Manen 2001a). De grotere populaties in Noord-Brabant vertoonden in de jaren negentig een veel minder sterke terugval, getuige ervaringen te Kampina en Wijboschbroek (van Diermen 1990a, 1990b, 1994 met aanvullingen, Veenstra 2000). In De Wieden bleek de Wielewaal juist sterk in opkomst (Veldkamp 1999a). Helaas ontbreekt het aan ononderbroken telreeksen uit kerngebieden, zodat niet kan worden gecorrigeerd voor lokale jaareffecten.

Aantal

Het aantal Wielewalen in Nederland werd in 1979-85 geraamd op 7000-10.000 paren (eerdere getallen waren te conservatief). De schattingen in het kader van het atlasproject 1998-2000 komen uit op ruim 3900 paren, wat iets te laag zal zijn. Een aantal van 4000-5000 paren is reëler.

Bron

Auteur(s)

Diermen, J. van

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.