Overslaan en naar de inhoud gaan

Goudhaan Regulus regulus

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Regulidae [familie]
Regulus [genus] (2/2)
regulus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Inventariseren van Goudhanen is niet bijzonder moeilijk, vooropgesteld dat de waarnemer geen problemen heeft met het registreren van geluiden met een hoge frequentie. De waarneemkans van zingende Goudhanen is bij lage dicht­heden echter gering. Men mag dan ook aannemen dat Goud­hanen in dergelijke situaties hier en daar gemist zijn. De Goudhaan is in de helft van de atlasblokken aangetroffen, de mogelijke broedgevallen meegerekend. De kaart past bijna naadloos op de verspreiding van naaldbos (CBS 1985). In vrijwel alle atlasblokken met meer dan 10 ha naaldbos zijn Goudhanen geregistreerd. Op de hogere gronden vallen hiaten op de kaart samen met het ontbreken van naaldbos van enige omvang, zoals in de Drents-Groningse veenkoloniën. Afwijkingen zijn gevonden in enkele tientallen atlasblokken waar meer dan 10 ha naaldbos voorkomt, maar Goudhanen niet gemeld zijn. De soort kan hier werkelijk ontbreken, maar het is ook mogelijk dat hij over het hoofd is gezien. Vooral 1999 en 2000 waren vette jaren voor deze naaldbosbewoner, zodat mag worden aangenomen dat de verspreiding in die jaren ruim was, en de dichtheid relatief hoog (van Dijk 2000). Met name in het lage deel van Nederland komen ook atlasblokken voor waar nog geen 10 ha naaldbos aanwezig is, maar wel Goudhanen gerapporteerd zijn. Blijkbaar kan dus ook een geringe oppervlakte naaldbos in verder ongeschikte habitat bezet zijn. De verspreiding komt in Laag-Nederland goeddeels overeen met het voorkomen van bossen, parken of tuinen met coniferen, zoals in Flevoland, de Wieringermeer, Amsterdam, ’s-Gravenhage, Rotterdam en hier en daar langs de Grote Rivieren. Op de dichtheidskaart springt vooral de over grote oppervlakte hoge dichtheid op de Veluwe en Utrechtse Heuvelrug in het oog. De verspreiding in Drenthe, Overijssel, de Achter­hoek, Noord-Brabant en Limburg heeft een meer vlekkerig patroon, waarbij hoge dichtheden samenvallen met een grote oppervlakte sparrenbos. Dichtheden tot 25 paren per 100 ha zijn in de best bezette gebieden normaal. Bij lagere dicht­heden is de soort minder gebonden aan sparren.

Veranderingen

De nieuwe verspreidingskaart lijkt sterk op die van 1973-77 en dat geldt ook voor de juni-kaart uit de periode 1979-83 (SOVON 1987). In grote lijnen is er de laatste 25 jaar niet veel veranderd, al is het verspreidingsareaal verruimd met rond 160 atlasblokken. Clusters nieuw bezette blokken zijn te vinden in Flevoland, de Achterhoek en her en der verspreid over het land. De recent gekoloniseerde blokken liggen veelal in gebieden waar de oppervlakte naaldbos is uitgebreid of het bestaande bos ouder, en daarmee geschikter, geworden is. In sommige gevallen (noordelijke Achterhoek) is de schijnbare vestiging waarschijnlijk een gevolg van beter onderzoek. Bij de ruim 60 blokken waar de soort niet meer kon worden vastgesteld, speelt afname van naaldbos door grootschalige kap en omvorming naar loofbos waarschijnlijk een rol, maar ook onvolledig onderzoek. Vermoedelijk ging het meestal om kleine populaties die verdwenen zijn. In de loop van de 20e eeuw is de stand van de Goudhaan door aanplant en uitgroei van naaldbossen sterk toegenomen. Het lijkt erop dat de populatie de laatste decennia niet is doorgegroeid. De bestaande bossen zijn weliswaar ouder geworden, maar in veel naaldbossen wordt gestreefd naar een natuurlijker bos, waarbij vooral sparren selectief worden weggekapt. Misschien zijn er ook effecten van ‘zure regen’. Hierdoor kan de hoeveelheid prooidieren verminderen, terwijl ook de nestgelegenheid misschien verslechtert doordat boomkruinen minder dicht worden. Toch werd in Zuidwest-Drenthe, waar al deze factoren spelen, in 1999-2000 de hoogste stand sinds 1968 gemeten en zaten er weer Goud­hanen in al jaren verlaten en sterk verkleinde naaldbossen (van Dijk 2000). In Europa is de goudhaanpopulatie stabiel, maar vertoont hij wel zeer sterke schommelingen, vooral onder invloed van strenge winters. In de Nederlandse trend zijn de strenge winters van 1978/79 en 1985/86 duidelijk herkenbaar, maar die van 1984/85 en 1996/97 niet of nauwelijks. Aan de andere kant zijn er ook uitschieters naar beneden zonder dat er strenge winters in het spel waren, zoals in 1975/76 en 1990/91. Beide winters vielen na een reeks van zachte winters en kenden een korte maar venijnige koudeperiode aan het eind. Hoge populatieniveaus, zoals opgemerkt in 1975, 1982-83, 1990 en 1999-2000, worden gewoonlijk voorafgegaan door enkele zachte winters. De stijging van 1981 op 1982 deed zich echter voor na een koude winter. Zou een deel van de Nederlandse Goudhanen dan toch elders overwinteren?

Aantallen

De uitkomst van rekenwerk aan atlas- en bmp-data (ruim 40.000 paren) lijkt wat laag, zeker voor de laatste atlasjaren met hun hoge populatieniveau. Een schatting van 40.000-50.000 paren is mogelijk nog te voorzichtig.

Bron

Auteur(s)

Dijk, A. J. van

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.