Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Graszanger Cisticola juncidis

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Cisticola [genus]
(1 soorten in totaal / 1 gevestigd)
juncidis [soort] (1/1)

Indeling

Cisticola [genus]
(1 soorten in totaal / 1 gevestigd)
juncidis [soort] (1/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieZeldzame vogels van Nederland – Rare birds of the Netherlands. Avifauna van Nederland 1

De Graszanger is slechts in 15 atlasblokken vastgesteld. In drie blokken werd de soort als mogelijk broedend aangemerkt, in de overige als waarschijnlijke broedvogel. Dat broeden geen enkele maal kon worden bewezen, is niet bijzonder. Sinds de soort in Nederland voorkomt was slechts in 4,1% van de gevallen sprake van een zeker broedgeval (n=293, naar Van den Berg & Bosman 2001). Dat komt doordat zowel de nesten als de uitgevlogen jonge vogels in de hoge vegetatie bijzonder moeilijk op te sporen zijn. Bovendien gaat het bij de waarnemingen in Nederland vermoedelijk vooral om eerder dat jaar meer zuidelijk geboren mannetjes, die wel een territorium bezetten maar vaak niet tot broeden overgaan (Simms 1985). Een duidelijke aanwijzing hiervoor is dat 80% van de waarnemingen wordt gedaan in de maanden juli, augus­tus en september. Veel van deze vogels sneuvelen vervolgens in de winter. Alleen in sommige jaren, na een of meer zachte winters, lukt het de soort kennelijk om te overwinteren. Dan wordt ook veel vroeger in het jaar al gezongen. Zo werden er in de topjaren 1977 en 2001 al medio juni op het Verdronken Land van Saeftinge resp. 8 en 7 zangposten geteld. Het is aannemelijk dat de soort zich alleen in dergelijke jaren voortplant. Saeftinge is het enige gebied waar in alle drie de atlasjaren Graszangers aanwezig waren: 2 (1998), 7 (1999) en 26 (2000). De andere territoria waren eveneens voornamelijk gevestigd in het Deltagebied, in 1998 op de Vossenkaai (Hoofdplaat), in 2000 op de Hellegatsplaten, in de omgeving van Oudelande, op het Zuidgors en in het Markiezaat. Elders in Nederland waren er territoria op de Makkumer Noordwaard in 1999 en De Zoom bij Nederweert in 2000. Alleen in het Markiezaat ging het om twee territoria. De broedlocatie bij uitstek, Saeftinge, is een 4000 ha groot getijdengebied, voor bijna tweederde begroeid met schorren­planten. In de lagere kleikommen domineren zeebies en zeeaster, met strandkweek op de hoger gelegen zandige oever­wallen. In de nazomer zijn deze planten tot 1 m hoog. Op zonnige dagen zingen Graszangers in een honderden meters lange golvende vlucht boven deze vegetaties. De andere locaties waar Graszangers werden waargenomen, zijn eveneens nagenoeg boom- en struikloos. De locatie bij Nederweert is wat dit betreft afwijkend: een 80 ha groot hoogveenrestant met wilgenopslag, riet, pijpenstrootje en pitrus (Vossen 2000).

Veranderingen

Graszangers trekken ’s winters niet weg. Ze zijn erg gevoelig voor vorst, zodat drie dagen stevige koude fataal kan zijn. Daartegenover staat een hoog reproductievermogen, waardoor de ’s winters geleden verliezen vlot kunnen worden goedgemaakt (Simms 1985, Cramp 1992). Deze fenomenen zijn bepalend voor het voorkomen in Nederland. Beide atlasperioden werden gekenmerkt door mild winterweer en werden ook voorafgegaan door een of enkele zachte winters. Verspreiding en aantallen vielen hierdoor royaal uit. Dat de Graszanger in de eerste atlasperiode (vijf jaren van veldwerk) in 28 blokken werd vastgesteld, tegen 15 in de laatste periode (drie jaren), komt deels door de langere onderzoeksperiode. Slechts in drie gebieden, de Makkumer Noordwaard, de Vossenkaai en Saeftinge was de soort in beide perioden aanwezig. Het in het zuidwesten van Nederland aan de Westerschelde gelegen Saeftinge is, vanwege het wat mildere klimaat en het op grote schaal voorkomen van geschikte broedhabitat, steeds hét bolwerk voor de Graszanger geweest: tweederde van alle in Nederland geregistreerde territoria werd hier vastgesteld. Op andere Westerschelde-schorren of in aangrenzende binnendijkse gebieden gaat het om een kwart van het totaal. Sinds de vestiging van de soort in 1972 nam hij tot 1977 jaarlijks toe. Het daaropvolgende jaar halveerde het aantal, waarschijnlijk als gevolg van een weekje koude in februari 1978. De strenge resp. koude winters van 1978/79 en 1981/82 hadden opvallend genoeg geen verdere reductie tot gevolg. De koude reikte toen niet veel verder dan de Belgisch-Franse grens, waardoor er in de zomer nieuwe aanvoer van jonge vogels vanuit het zuidwesten mogelijk bleef. Na drie opeenvolgende strenge tot koude winters medio jaren tachtig, waarbij de koude tot in Zuid-Europa doordrong en het aantal Graszangers hier vermoedelijk gedecimeerd werd, leek het met de soort in Nederland zo goed als bekeken. Toch was er nog geen 15 jaar later weer een behoorlijke opleving.

Aantallen

In de atlasjaren 1998-2000 werden 3, 8 resp. 31 territoria bekend. In 2001, net na de atlasperiode, ging het alleen al in Saeftinge om tenminste 40! 

Bron

Auteur(s)

Castelijns, H.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-20005: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.