Overslaan en naar de inhoud gaan

Boomkruiper Certhia brachydactyla

Foto: Kees Venneker

Indeling

Certhia [genus]
(2 soorten in totaal / 2 gevestigd)
brachydactyla [soort] (1/1)

Indeling

Certhia [genus]
(2 soorten in totaal / 2 gevestigd)
brachydactyla [soort] (1/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

De Boomkruiper is in 85% van de atlasblokken vastgesteld en komt tegenwoordig in vrijwel heel Nederland voor. In bosrijke gebieden, zoals op de oostelijke en zuidelijke zandgronden en in het Zuid-Limburgse Heuvelland, zijn nagenoeg alle blokken bezet. In de laaggelegen delen van Nederland zijn her en der leemtes in het verspreidingsbeeld te zien, zoals in de zeer open kustgebieden van Groningen en Friesland en in het Deltagebied. Ook de Waddeneilanden zijn slechts mager bezet, terwijl Boomkruipers in het binnenland plaatselijk ontbreken in de open delen van Noord- en Zuid-Holland en Flevoland. De relatieve dichtheidskaart toont een gedetailleerder beeld. De hoogste dichtheden zijn te vinden in de bos- en boomrijke gebieden op de hogere zandgronden, in enkele verstedelijkte regio’s (parken en tuinen), her en der langs de binnen­duinrand en in de momenteel steeds meer verboste Biesbosch. De voorkeur voor oudere loofbossen komt op de kaart, vanwege de talrijkheid in alle bosrijke streken, maar gedeeltelijk naar voren. Oudere bomen hebben vaak een grotere stamomtrek en een meer reliëfrijke bast dan jonge bomen, en daarmee een groter voedselaanbod. De Boomkruiper prefereert daarom oudere eiken- en eikenbeukenbossen (Glutz von Blotzheim & Bauer 1993). Tevens is de soort meer een loofhoutspecialist dan de Taigaboomkruiper (Schnebel 1972). Geringe tot zeer geringe dichtheden komen voor op de Waddeneilanden en over grote delen van Laag-Nederland. In Oostelijk en Zuidelijk Flevoland zijn de bossen bezet maar ontbreekt de soort in het meest open agrarische landschap. Het voorkomen buiten de broedtijd is vrijwel identiek aan dat in de broedtijd (SOVON 1987), al lijken marginale gebieden, zoals delen van Noord-Groningen, in de winter soms verlaten te worden (van den Brink et al. 1992).

Veranderingen

Vergeleken met de jaren zeventig is het verspreidingsareaal van de Boomkruiper met 20% verruimd. Deze uitbreiding vond vooral plaats in de lage, open delen van ons land. Ook op de Waddeneilanden, in Oost-Groningen, Zuidwest-Friesland, Flevoland, Noord- en Zuid-Holland en Zeeland zijn nu volop Boomkruipers te zien en te horen. Overigens zijn het diezelfde open gebieden waar de weinige blokken liggen waar de soort in vergelijking met de jaren zeventig niet meer is vastgesteld, met mogelijk enige concentratie in Zeeuws-Vlaanderen. Tegelijkertijd met deze areaaluitbreiding zijn ook de aantallen toegenomen. In de voorkeurshabitat, loofbos, is de index tussen begin jaren zeventig en begin jaren negentig verdubbeld, waarna de situatie min of meer stabiliseerde. Duinen en agrarisch gebied laten vanaf het begin van de jaren tachtig hetzelfde beeld zien. Ook de winteraantallen vertonen een stijging (Boele et al. 1998). In de open gebieden van Nederland valt de uitbreiding samen met een toename van het aantal oudere bomen, zowel in de vorm van bos(jes) als van wegbeplanting(en). De toename van de Boomkruiper hier vindt een parallel in die van de Grote Bonte Specht. Echter, ook in de vanouds bekende bosrijke bolwerken namen de aantallen sterk toe. Zo verdubbelden ze in Drenthe tussen 1984 en 1994 (van den Brink et al. 1996) en verdrievoudigden ze tussen 1963 en 1998 op het landgoed Oud-Amelisweerd bij Utrecht (van Scharenburg & de Bruijn 1998). Naast allerlei andere, onbekende redenen zal het ouder worden van de reeds aanwezige bossen - en de daarmee gepaard gaande toename van voedselaanbod en nestgelegenheid - ongetwijfeld een rol spelen. Een verdere populatie-expansie naar de minder dichtbevolkte gebieden in Laag-Nederland is zeker niet uit te sluiten. De aantalsontwikkeling gaat gepaard met fluctuaties. Opvallend zijn de lagere aantallen na strenge winters, vooral in agrarisch gebied. Een kleine vogel als de Boomkruiper (9 gram) verliest bij lage temperaturen relatief veel warmte en moet dan vrijwel de gehele dag foerageren. Het is dan ook niet voor niets dat onder koude omstandigheden gezamenlijk wordt geslapen om het warmteverlies zoveel mogelijk te beperken (Löhrl 1955). Daarnaast speelt het voorkomen van ijzel en veel neerslag een rol. Beijzelde stammen maken het foerageren onmogelijk, terwijl continu natte stammen de isolatie van het verenpak verminderen, met afkoeling en sterfte als gevolg. Mogelijk spelen ook koele zomers en een daarmee samenhangende geringere jongenoverleving een rol bij de aantalsfluctuaties (Peach et al. 1995, van Scharenburg & de Bruijn 1998). Door de relatief grote legsels (gemiddeld 5,6 eieren) en de mogelijkheid om twee broedsels per jaar groot te brengen, herstellen de aantallen zich onder normale omstandigheden weer snel.

Aantallen

Medio jaren zeventig werd het aantal broedparen op 30.000-50.000 geschat, begin jaren tachtig op 60.000-100.000. Gelet op het atlasmateriaal en de dichtheden in bmp-proefvlakken (uitkomend op bijna 100.000 paren) is een schatting van 80.000-120.000 paren in 1998-2000 aannemelijk.

Bron

Auteur(s)

Scharenburg, K. van

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.