Overslaan en naar de inhoud gaan

Veldleeuwerik Alauda arvensis

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Alaudidae [familie]
Alauda [genus] (1/1)
arvensis [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

De Veldleeuwerik is in 91% van de atlasblokken vastgesteld. Het is niet aannemelijk dat de soort in de overige blokken is gemist. De meest opvallende hiaten, op atlasblokniveau, liggen in het midden van het land. De relatieve dichtheidskaart laat aanzienlijke witte vlekken zien op de oostelijke en zuidelijke zandgronden, de Utrechtse Heuvelrug, de Gelderse Vallei en in de Randstedelijke agglomeraties. Dat is niet zo verwonderlijk, gezien de voorkeur voor open landschappen (van ‘t Hoff & van Scharenburg 1992, Berg & Pärt 1994). De hoogste dichtheden worden bereikt in open akker- en heide­gebieden. In graslanden liggen de dichtheden aanzienlijk lager, terwijl de duinen slechts van marginale betekenis zijn.

De beste akkergebieden voor de Veldleeuwerik liggen op de zandgronden van de Drents-Groningse veenkoloniën, de veenkoloniale ontginningen in Overijssel en in Midden-Limburg. Ook op de zeekleigebieden van Noord-Nederland (Oldambt, Fries-Groningse Hogeland, Wieringermeer, West-Friesland), Flevoland en Zuidwest-Nederland (Deltagebied, westelijk Noord-Brabant, Land van Altena) is de soort goed vertegenwoordigd, evenals op de lössgronden van Zuid-Limburg. De Veldleeuwerik is eveneens talrijk op grote, open en niet al te vergraste heideterreinen in Drenthe en op de zuidelijke Veluwe. Graslandgebieden met noemenswaardige dichtheden zijn schaars; voorbeelden zijn Waterland, de Zaanstreek, het Utrechts-Hollands veenweidegebied en de Alblasser-, Lopiker- en Krimpenerwaard. Op de zeeklei geldt dit ruwweg voor de driehoek Leeuwarden-Harlingen-Sneek en de meeste polders op de Waddeneilanden.

Veranderingen

Gebieden waar de zang van Veldleeuweriken nog een lieve lust is, worden steeds schaarser. Op veel plekken in de duinen en het cultuurland is het al angstig stil. Vergeleken met 1973-77 is het aantal bezette atlasblokken met 7% afgenomen, waarmee de Veldleeuwerik zijn status van meest verspreide broedvogel in Nederland kwijtraakte. Verlaten blokken liggen vooral ten oosten van de IJssel tussen Zwolle-Zutphen, rond Apeldoorn en in de Gelderse Vallei, aansluitend op het Kromme Rijn-gebied. Opvallender is de getalsmatige afname. In graslanden bedraagt de broedpopulatie slechts 10% van die medio jaren zestig, en in de duinen nog minder. De langetermijntrend in akkergebieden is onbekend. Sinds 1984 namen de aantallen hier met 45% af (in dezelfde periode in grasland met 54% en in de duinen met 74%). En hoewel in open heideterreinen lange tijd sprake was van een stabiele populatie, lijkt de soort ook in deze habitat vanaf begin jaren negentig geleidelijk achteruit te gaan (van Dijk et al. 2001a, SOVON & CBS ongepubl.).

De oorzaken van de achteruitgang verschillen per habitat. In de duinen heeft vooral verruiging van de vegetatie de Veldleeuwerik parten gespeeld. Infiltratie van voedselrijk water, de enorme reductie van het aantal konijnen en ‘zure regen’ waren hiervoor verantwoordelijk (Verstrael & van Dijk 1997). Op de heide spelen problemen mee als vergrassing, opslag en verminderde begrazing. In het moderne cultuurland bestaat het cruciale probleem hieruit, dat het de soort niet meer lukt om 2-3 legsels per broedseizoen te produceren (Wilson et al. 1997), terwijl juist de latere broedsels veel jongen opleveren (Schläpfer 1988). In graslanden, maar ook in meerjarige grasbraakpercelen (Mead & Wilson 1993), gaan veel legsels verloren door maaiwerkzaamheden. De veranderingen in het graslandgebruik hebben geleid tot vervroeging van de maai­datum, een hogere maaifrequentie en uniforme graslanden (‘biljartlakens’). Op bouwland speelt de sterke afname van de gewasdiversiteit een negatieve rol, net als de opkomst van maïs en wintergranen (ten koste van zomergranen), kavelvergroting en een afgenomen lengte aan (bermen langs) onverharde wegen (o.a. Schläpfer 1988, van Scharenburg et al. 1990, Schön 1999, Chamberlain et al. 1999). Het toegenomen insecticiden-, herbiciden- en kunstmestgebruik heeft geleid tot een verarming van de prooidierfauna en kruidenrijkdom in graslanden en akkers (Sotherton & Self 2000). Een niet te onderschatten probleem is voorts de groeiende aantasting van de open ruimte (RIVM et al. 1998).

Tot de weinige positieve ontwikkelingen in het cultuurlandschap behoort de toegenomen oppervlakte van braakgelegde akkers en lengte aan akkerranden. De Veldleeuwerik is een van de soorten die hiervan profiteert (Remmelzwaal & Voslamber 1996, Henderson & Evans 2000). In meerjarig braakgelegde graspercelen liggen de dichtheden gemiddeld een factor drie hoger dan in andere gewassen (van ‘t Hoff 1995, Poulsen et al. 1998); voorts is het broedsucces op braakgelegde akkers hoger dan in andere gewassen (Wilson et al. 1997, Donald & Vickery 2000). De huidige oppervlakte braakgelegde akkers is echter ontoereikend voor een ombuiging van de neerwaartse trend.

De Veldleeuwerik is in West-Europa met minstens 50% afgenomen sinds de jaren zeventig (Hagemeijer & Blair 1997), en in Groot-Brittannië zelfs al als Rode Lijst-soort opgevoerd (Gibbons et al. 1996). Een status die de soort ook in ons land toebehoort. Wie had dat ooit kunnen denken!

Aantallen

bmp- en atlasgegevens komen uit op 61.000 paren, zodat de broedpopulatie op 50.000- 70.000 paren wordt gesteld. Dat is een decimering vergeleken met de 500.000-750.000 paren in 1973-77. De soort is sinds de vorige atlas met stip uit de top vijf van talrijkste broedvogels verdwenen!

Bron

Auteur(s)

Hoff, J. van 't

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.