Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Staartmees Aegithalos caudatus

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Aegithalos [genus]
(1 soorten in totaal / 1 gevestigd)
caudatus [soort] (2/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

De Staartmees is aangetroffen in 79% van de atlasblokken. Op de zandgronden en in de duinen is de verspreiding op atlasblokniveau vrijwel aaneengesloten. In Laag-Nederland toont de verspreidingskaart meer hiaten. In nagenoeg bosloze gebieden ontbreekt de soort, zoals geldt voor het noorden van Groningen en Friesland, grote delen van Noord-Holland-Noord, de Hoekse Waard, Overflakkee en Tholen. In de overige open poldergebieden blijft het voorkomen beperkt tot de weinige plekken met voldoende bomen en struiken. Geschikte broedhabitat is hier vaak alleen in en rond dorpen, steden en recreatieterreinen te vinden. De grotere Waddeneilanden zijn allemaal bezet. De relatieve dichtheidskaart signaleert een voorkeur voor de zandgronden, vooral de bosrijke delen, al kan de soort plaatselijk vrij algemeen zijn in kleinschalig cultuurlandschap met veel houtwallen. Dichtheidsaccenten zoals in Zuidwest-Drenthe, op de centrale Veluwe en de zuidelijke Utrechtse Heuvelrug zijn deels reëel, deels ook toevalsbepaald of een waarnemerseffect. De groene randen van stedelijke gebieden worden met graagte bewoond, wat op de kaart onder meer tot uiting komt bij Utrecht, Arnhem en Venlo. Moeras­gebieden waar in de afgelopen decennia veel bos tot ontwikkeling is gekomen, zoals De Weerribben in Noordwest-Overijssel en de Biesbosch, herbergen eveneens vrij veel Staartmezen. Voorts springt de goede bezetting van de bos- en struweelrijke duinen ter hoogte van Meijendel en Was­senaar in het oog. De duinen op de Waddeneilanden, in Noord-Holland ten noorden van het Noordzeekanaal en in het Deltagebied zijn veel minder in trek. De dichtheid in de nogal kale klei- en laagveengebieden van Noord- en West-Nederland en in de veenkoloniën van Oost-Groningen en Zuidoost-Drenthe is onveranderlijk laag. Dichtheidscijfers zijn bij de Staartmees nooit meer dan een ruwe aanduiding vanwege het ontbreken van territoriaal gedrag, verplaatsing van broedvogels in de loop van het broedseizoen en andere telproblemen. De Nederlandse inventarisatiegegevens wijzen erop dat dichtheden van 3-10 paren per 100 ha normaal zijn in bossen op de zandgronden, in groene stedelijke gebieden en in enkele duingebieden. Lokaal zijn veel hogere dichtheden mogelijk in braam- en jeneverbesstruwelen, houtwallen en aanplant. De dichtheid in Laag-Nederland bedraagt hooguit 1 paar per 100 ha.

Veranderingen

In vergelijking met de blokbezetting in 1973-77 is het verspreidingsareaal met 27% uitgedijd. De veranderingskaart laat zien dat de grootste uitbreiding plaatsvond in het westen en noorden van het land, waar de verspreiding van Oost-Groningen tot Zeeuws-Vlaanderen meer aaneengesloten is geworden. Van oorsprong zeer open agrarische gebieden, zoals het Lage Midden van Friesland en het Groene Hart van Holland, zijn inmiddels grotendeels door de Staartmees gekoloniseerd. De bezetting van deze gebieden werd mogelijk gemaakt door landschappelijke veranderingen, zoals de aanleg van bosjes en wegbeplanting in open polderland. Daarnaast heeft de Staartmees geprofiteerd van de met verstedelijking samenhangende toegenomen oppervlakte aan parken, groenstroken en tuinen. De invloed van bosaanleg en bosontwikkeling komt goed tot uiting in het Lauwers­meer en Zuidelijk Flevoland. Ook de inmiddels flink met wilgen beboste oevers van het Hollands Diep zijn momenteel gekoloniseerd, mogelijk vanuit de Biesbosch. Waarschijnlijk heeft de Staartmees via deze weg de oostpunt van het verder nog vrijwel lege Overflakkee bereikt. De aantalstoename die in Nederland heeft plaatsgevonden, komt deels tot uiting in de trendgrafieken. Vanaf begin jaren tachtig treedt toename niet alleen op in agrarisch cultuurland, maar ook in de duinen. Bos- en struweelvorming hebben het duinlandschap op veel plaatsen geschikter gemaakt als broedhabitat. In de langer bezette gebieden is de ontwikkeling minder spectaculair. Zo bleven de aantallen in loofbos gedurende drie decennia vrij stabiel. De algehele opwaartse trend in Nederland wordt incidenteel onderbroken door strenge winters. De Staartmees is ook in de winter vrijwel geheel afhankelijk van klein, dierlijk voedsel op twijgen en takjes. Dit maakt de soort gevoelig voor perioden met ijzel en sneeuw. Lokale popu­latieafnames van tientallen procenten zijn dan niet ongewoon en de soort kan worden weggevaagd uit gebieden waar het voorkomen marginaal is (open cultuurlandschappen, Waddeneilanden). Het herstel duurt 1-3 jaar.

Aantallen

De bmp- en atlasgegevens komen uit op ruim 34.000 paren. Daarmee wordt de broedpopulatie in 1998-2000 op 30.000-40.000 paren begroot. De bovengrens van de schatting van 20.000-40.000 paren in 1979-85 was destijds vermoedelijk te hoog.

Bron

Auteur(s)

Bijlsma, R.G.

Publicatie