Overslaan en naar de inhoud gaan

Ekster Pica pica

Foto: Dick Belgers

Indeling

Corvidae [familie]
Pica [genus] (1/1)
pica [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

De bezetting van 96% van de atlasblokken geeft aan hoe algemeen en hoe verspreid de Ekster in Nederland voorkomt. De soort ontbreekt alleen op kale platen en in jonge duinen in het Waddengebied. Voorts is hij absent in enkele vol­komen door bos of heide gevulde blokken op de Veluwe (Kroondomein, Planken Wambuis, Imbosch). Toch toont de relatieve dichtheidskaart zeker geen homogeen beeld. In grote aaneengesloten bossen op de Veluwe zijn de dichtheden bijzonder laag omdat Eksters eigenlijk nooit midden in bossen broeden. Bovendien wordt de Veluwe bewoond door de Havik, hun doodsvijand. Mede daarom worden ook de grote bossen in Drenthe en Noord-Brabant gemeden evenals sommige duingebieden. De lage dichtheden in open, boomarme landschappen zijn plaatselijk het resultaat van Zwarte Kraaien-agressie.Tijdens de nestbouw wordt menig eksternest gekraakt door Zwarte Kraaien. De Eksters zijn dan genoodzaakt hun woongebied te verlaten, want een Zwarte Kraai is een Ekster met gemak de baas. De Zwarte Kraai is niet alleen een nestkraker maar rooft ook eieren en jongen. Eksters beschermen zich hier­tegen door hun nest te overkappen, door dicht bij gebouwen te broeden die door de schuwere Zwarte Kraai (nog) gemeden worden en door te nestelen in dichte doornstruiken zoals meidoorn en duindoorn (Baeyens 1981a).

Uit een vergelijking van de relatieve dichtheidskaarten van Ekster en Zwarte Kraai blijkt dan ook dat er Zwarte Kraaien-bolwerken bestaan waar nauwelijks Eksters leven, zoals op enkele plaatsen in Drenthe en Gelderland het geval is. In grote delen van Friesland, Noord- en Zuid-Holland en Zeeland hebben Eksters min of meer vrij spel, gezien de lage kraaiendichtheid. Noord-Groningen en Flevoland worden schaars bewoond door beide soorten. Nestbomen zijn daar relatief schaars (de bossen van Flevoland worden door beide soorten gemeden) terwijl er een vrij intensieve bestrijding plaatsvindt van kraaiachtigen. Een dergelijke schaarste in cultuurland is echter ongebruikelijk. Meestal bieden windsingels rond boerderijen de Ekster een ideale nestplaats. Bosschages langs wegen en tussen landerijen zijn ook erg in trek, maar als daar weinig drukte is van mensen zullen derge­lijke plekken eerder door Zwarte Kraaien dan door Eksters bezet zijn. De broeddichtheden in agrarisch gebied variëren gewoonlijk van 0,05-2,5 paren per 100 ha en in stedelijke omgeving van 4-12 per 100 ha, maar lopen een enkele keer op tot 20 per 100 ha of nog meer.

Veranderingen

In vergelijking met het midden van de jaren zeventig vond een duidelijke uitbreiding plaats op enkele Waddeneilanden, in Zuidelijk en Oostelijk Flevoland en in het Deltagebied.  Toegenomen nestgelegenheid (hoge bomen, op de Waddeneilanden tevens verboste duinen) en verminderde vervolging zijn hiervoor verantwoordelijk (Bijlsma et al. 2001). De veranderingskaart geeft niet weer hoezeer de eksterdichtheid in de steden in de afgelopen decennia is gestegen, aangezien verstedelijkte atlasblokken ook medio jaren zeventig al bezet waren, zij het in veel lagere dichtheden dan tegenwoordig. Het fenomeen van de opmars in stedelijk gebied wordt expliciet vermeld in allerlei regionale avifauna’s en geldt zeker ook voor vele Duitse steden (Kooiker & Buckow 1999). Van een achteruitgang geeft de kaart geen duidelijk beeld; de weinige blokken waaruit de Ekster verdween, liggen verspreid over Nederland. Toch zijn er duidelijke voorbeelden van achteruitgang bekend, zoals in de vastelandduinen, waar de Havik zijn intrede heeft gedaan. Aanvankelijk stond de Ekster in de top vijf op het menu, maar de aantallen zijn tegenwoordig dermate laag dat de Havik moest overschakelen op andere prooisoorten (Koning & Baeyens 1998). Vergelijkbaar negatieve effecten op de eksterstand zijn in feite overal vastgesteld waar de Havik zich vestigde of sterk in aantal toenam. Op deze manier is de Ekster als bosbewoner op de zandgronden bijna verdwenen. Ook in agrarisch cultuurland, in ieder geval in grote delen van Oost- en Zuid-Nederland, wordt een afname in de jaren negentig gerapporteerd na eerdere sterke toename (Bijlsma et al. 2001). Naast predatie (vooral Havik en Zwarte Kraai) speelt vermoedelijk een verslechterde voedselsituatie mee door andere bemestingstechnieken (injectie in plaats van gieren) of verminderd aanbod of geringere bereikbaarheid van bodemdieren. In Nederland ontsnapt de stadsekster tot nu toe de dans. Wanneer zich hier echter structureel Haviken zouden weten te vestigen, zoals geconstateerd in Duitsland, Oostenrijk en Oost-Europa, is ook hier afname te verwachten.

Aantallen

bmp-getallen en atlasmateriaal komen uit op ruim 51.000 (40.000-60.000) paren. In 1973-77 en 1979-85 ging het om 50.000-100.000 resp. 60.000-120.000 paren.

Bron

Auteur(s)

Baeyens, G.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.