Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Kleine bonte specht Dryobates minor

Foto: Hendrik van Kampen

Indeling

Dryobates [genus]
(1 soorten in totaal / 1 gevestigd)
minor [soort] (1/1)

Indeling

Dryobates [genus]
(1 soorten in totaal / 1 gevestigd)
minor [soort] (1/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

De Kleine Bonte Specht is in 41% van de atlasblokken zekere of waarschijnlijke broedvogel. In enkele tientallen blokken zijn alleen mogelijke broedgevallen gemeld. Vermoedelijk gaat het ook in deze blokken gewoonlijk om broedvogels, maar is de soort er schaars of was het onderzoek er niet geheel voldoende. Aan de noord- of westrand van het aaneengesloten verspreidingsgebied kan het ook rondzwervende vogels betreffen die soms voorbode zijn van een nieuwe vestiging.

De Kleine Bonte Specht komt voor over grote delen van Drenthe en de aangrenzende bosrijke grensstreek van Friesland, Zuidoost-Groningen, Twente, Veluwe, de Achterhoek, de Utrechtse Heuvelrug en wijde omgeving, de zuidoostelijke helft van Noord-Brabant en Midden-Limburg. Minder aaneengesloten is de verspreiding in Salland, waar de grote heide­ontginningen worden gemeden, in westelijk Noord-Brabant, waar de grens tussen zand en klei messcherp aftekent in het kaartbeeld, en in Zuid-Limburg. In de Hollandse duinstreek beperkt het voorkomen zich vrijwel tot Kennemerland. In de provincies Flevoland en Zeeland is de Kleine Bonte Specht een zeldzaamheid.

Het beoordelen van de aantalsschattingen is niet eenvoudig. De Kleine Bonte Specht is een lastig te inventariseren soort waarbij zowel ondertelling mogelijk is (door onopvallend gedrag) als overschatting (beide seksen roepen en roffelen) (Schoppers 1995). Desondanks is duidelijk dat de Kleine Bonte Specht bijna overal schaars is; in 88% van de atlasblokken worden maximaal tien paren opgegeven. De magere maar egaal verspreide aantallen in Noord-Brabant zijn treffend. De schaarste in deze bosrijke provincie houdt verband met de dominantie van naaldbossen hier. Bovendien heeft de soort zich in grote delen van de provincie pas recent gevestigd. Veel hogere aantallen worden opgegeven voor Zuidwest-Drenthe, Twente, de oostelijke Achterhoek, delen van de Veluwe en de overgangen van Utrechtse Heuvelrug naar Langbroeker­gebied. Hoge dichtheden worden hier gemeld uit habitats vari­ërend van voormalige eikenhakhoutbossen (zuidelijke Veluwe) tot oude landgoedbossen (Twente, omgeving Leersum-Driebergen) of kleinschalig cultuurland met veel oud loofbos (Achterhoek). Wat dit betreft vallen de opgegeven aantallen in de rijke Zuid-Limburgse hellingbossen tegen.

Veranderingen

De verspreiding van de Kleine Bonte Specht is in de afgelopen 25 jaar duidelijk verruimd. Naast een verdichting van de verspreiding, die vooral zichtbaar is in delen van Drenthe, Salland en de noordelijke Achterhoek (en die deels een gevolg kan zijn van beter onderzoek), heeft een onmiskenbare areaaluitbreiding plaatsgevonden in Zuidoost-Friesland, Oost-Groningen en vooral Noord-Brabant. De positieve ontwikkelingen kunnen grotendeels worden toegeschreven aan het ouder worden van het bos, omvorming van productiebos in meer natuurlijk bos en een grotere tolerantie ten opzichte van dood hout. Beheerseffecten als het niet meer kappen van doorgeschoten eikenhakhout, waarin veel dode stammen voorkomen, kunnen de toename in Drenthe tot op zekere hoogte verklaren (van den Brink et al. 1996). De bezetting van Noord-Brabant vindt een parallel in die van Bosuil en Boomklever (soorten die eveneens geassocieerd worden met oud loofbos; Post & Ongenae 1990) maar contrasteert hier met de uitblijvende kolonisatie door de Appelvink.

Op kleinere schaal is de vestiging in de Biesbosch vermeldenswaard, waar de Kleine Bonte Specht in de jaren tachtig als broedvogel verscheen (Meijer 1995). Net als in het oostelijk rivierengebied (Erhart & Bekhuis 1996) zijn de wilgenbossen hier - voormalige grienden - inmiddels geschikt voor permanente vestiging geworden. Jaarlijks hoogwater tijdens het hoogtepunt van de balts in maart vormt in uiterwaardbossen geen belemmering (Faunawerkgroep Gelderse Poort 2002). Ook de geïsoleerd liggende bossen van Gaasterland in Zuidwest-Friesland zijn inmiddels ontdekt (vier paren in 1999; Kleef­stra 1999), maar in die van Flevoland is de soort nog schaars.

Het beeld is overigens niet overal positief. Zo is de Kleine Bonte Specht vrijwel verdwenen uit de rijke landgoedbossen van de Zuid-Hollandse binnenduinrand, terwijl hij verder noordelijk in Zuid-Kennemerland goed heeft standgehouden en zelfs is toegenomen (van 21 paren in het midden van de jaren zeventig tot 38 halverwege de jaren negentig; Geelhoed et al. 1998). Het beeld in Limburg heeft twee gezichten: nieuwe vestigingen in Midden- en Noord-Limburg, maar een lokale verdwijning uit het reeds lang bezette Zuid-Limburg, corresponderend met een afname in vooral kleinere bossen alhier (J. van der Coelen & F. Hustings pers. med.). Ook in de Betuwe en hier en daar in Utrecht is tevergeefs gezocht naar deze heimelijke soort. Zou de kap van hoogstamboom­gaarden (Betuwe) of verstedelijking (Utrecht) hiermee te maken hebben?

Aantallen

De atlasgegevens suggereren een Nederlandse broedpopulatie van bijna 4200 paren. Gezien de lastige inventariseerbaarheid zal dit te laag zijn. Vermoedelijk gaat het eerder om 4500-5500 paren.

Bron

Auteur(s)

Kwint, N.

Publicatie