Overslaan en naar de inhoud gaan

Oehoe Bubo bubo

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Strigidae [familie]
Bubo [genus] (2/0)
bubo [soort]

Voorkomen

StatusIncidenteel/Periodiek. Minder dan 10 jaar achtereen voortplanting en toevallige gasten. (1b)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

De Oehoe bezit territoria van minimaal enkele duizenden hectares, en is door zijn leefwijze een onopvallende soort. Onervarenheid met de wijze van inventariseren kan zelfs leiden tot het missen van broedparen. In Nederland lijkt dat geen probleem, omdat de meeste (potentiële) broedplekken nu wel bekend zijn.

De voor Nederland dichtstbijzijnde broedpopulatie bevindt zich momenteel in Wallonië, waar inmiddels enkele tientallen broedparen huizen, vooral in verlaten groeves en op steilwanden in zijdalen van de Maas. Het is, gelet op de landschappelijke overeenkomsten en de aanwezigheid van dagbouwgroeven, zo dicht bij het aangrenzende verspreidingsgebied, niet verbazingwekkend dat Oehoes in de atlasperiode alleen in Zuid-Limburg zijn vastgesteld. In de enci-groeve te Maastricht werd in alle drie de atlasjaren gebroed, waarbij in 1998 en 1999 vier jongen uitvlogen en in 2000 ‘slechts’ twee. Op een tweede locatie, een groeve bij Cadier en Keer, waren in 1999 twee vogels aanwezig, maar ontbreken duidelijke aanwijzingen voor broeden (van der Vliet et al. 2001).

Veranderingen

De Oehoe is een nieuwkomer op de Nederlandse broed­vogellijst en vooralsnog beperkt tot Zuid-Limburg. De eerste waarnemingen vonden plaats begin jaren tachtig, zowel in hellingbossen als dagbouwgroeves. In deze periode begonnen de Duitse oehoeprojecten vruchten af te werpen. In één geval bleek een als verkeersslachtoffer gevonden Oehoe bij Valkenburg uit de Duitse Eifel afkomstig. Vanwege het destijds unieke karakter van de waarnemingen en de risico’s voor verstoring zijn de eerste gevallen geheimgehouden. De keerzijde hiervan is dat de documentatie van deze eerste broedgevallen onvolledig is.

Het eerste broedgeval zou hebben plaatsgevonden in de Boswachterij Vaals (Elzetterbos) in 1983. Er is echter geen schriftelijke documentatie van dit geval beschikbaar. In 1985 werden twee adulte vogels op een nest met twee eieren waargenomen in een groeve bij Cadier en Keer (documentatie aanwezig in Vogelarchief Limburg). De waarnemers hebben vanwege kans op verstoring het broedgeval niet gevolgd, zodat niet duidelijk is of de eieren ook zijn uitgekomen en/of jongen zijn uitgevlogen. De nestplaats (nis in een kalk­rotswand) is het jaar daarop gecontroleerd en was niet bezet, er werden echter veel prooiresten verzameld (botten van ratten, konijn en haas; F. Schepers ongepubl.). Op dezelfde locatie verbleven ook in 1988 Oehoes, maar werd voor zover bekend niet gebroed. Mogelijk een van deze vogels werd roepend gehoord in een 2 km verderop gelegen groeve. Vervolgens duurde het tot 1996 voordat er weer territoriale Oehoes werden gemeld, op de laatstgenoemde locatie. Met een geslaagd broedgeval in 1997 (Schepers 1997), begint de reeks van gevallen in de enci-groeve te Maastricht.

De toekomst van de Oehoe in Nederland staat of valt met de aanwezigheid van geschikte en ongestoorde broedplekken. Vooralsnog lijken dagbouwgroeves met steile wanden in Zuid-Limburg hiervoor als enige in aanmerking te komen. De grote vraag is of deze groeves blijvend geschikt zullen zijn, in verband met afwerking- en inrichtingsplannen. Zo werd de broedplek in de enci-groeve in Maas­tricht eind jaren negentig ernstig bedreigd door werkzaamheden, en moesten met veel publiciteit omgeven discussies tot op hoog politiek niveau plaatsvinden om deze veilig te stellen. Ook verstoring is een groot risico, immers groeves worden na afwerking (groten)deels voor het publiek opengesteld. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat juist ‘oehoe­toerisme’ een groot risico met zich mee kan brengen, vooral op plekken die gemakkelijk toegankelijk zijn. Maar ook (al dan niet illegale) klimmers, fossielenzoekers en wandelaars kunnen een bron van verstoring vormen. Wellicht kunnen, door het aanwijzen van een verantwoorde waarneemplek zoals in de enci-groeve, andere potentiële en meer gevaar lopende broedlocaties worden ontzien. Mede door de Oehoes is er overigens meer aandacht gekomen voor natuurvriendelijke afwerking van groeves.

De vraag is echter of de Oehoe zich in Zuid-Limburg op lange termijn kan handhaven. Zolang de aanvoer van Oehoes uit aangrenzende populaties in België en Duitsland blijft bestaan, en de bestaande Nederlandse broedplekken goed beschermd worden, moet het mogelijk zijn om jaarlijks 1-3 broedparen van deze indrukwekkende uilensoort in Nederland te huisvesten. Overigens werd in 2002, dus ná de atlas, een succesvol broedgeval vastgesteld in Gelderland

Aantallen

In de atlasperiode broedde jaarlijks één paar in Nederland. Mogelijk ging het in 1999 om twee paren.

Bron

Auteur(s)

Schepers, F.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.