Overslaan en naar de inhoud gaan

Bosuil Strix aluco

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Strigidae [familie]
Strix [genus] (1/1)
aluco [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Stabiel
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Omdat de Bosuil een opvallende, gemakkelijk door geluidsnabootsing te provoceren roep heeft en jonge vogels wekenlang doordringend om voedsel bedelen, is de aanwezigheid meestal niet moeilijk vast te stellen. Het verspreidingsgebied, dat 48% van de atlasblokken beslaat, valt grotendeels samen met de hoge gronden van Oost-, Midden- en Zuid-Nederland, al zijn er in de noordelijke provincies en Noord-Brabant de nodige hiaten. Voorts ontbreekt de Bosuil niet in de Hollandse duinen en in een groot deel van het rivieren­gebied, met een uitloper tot in Zuid-Holland, westelijk Utrecht en de Biesbosch. Geïsoleerde vestigingen komen voor in Gaasterland, het Robbenoordbos in de Wieringermeer, op Schouwen en andere locaties.

In bosrijke streken leven soms 5-6 paren per 100 ha. Optimale habitat is echter meestal spaarzaam aanwezig, zodat het niet verbaast dat het aantal paren in 86% van de atlasblokken op hooguit tien wordt geschat. Waar veel oud (loof)bos voorkomt, zoals in Twente, de Achterhoek en hier en daar op de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug, zijn de dichtheden hoger. Hetzelfde geldt voor de binnenduinbossen en de boom­rijke villadorpen langs de Hollandse kust zoals Bergen, Bloemendaal en Wassenaar. Doordat zorgvuldige inventarisatie tijdrovend is, zullen overigens lang niet alle aantals­opgaven dezelfde nauwkeurigheid hebben. Zo is het aannemelijk dat de aantallen in Zuid-Limburg niet zelden te laag zijn ingeschat.

Veranderingen

Vergeleken met de vorige broedvogelatlas vertoont de Bosuil een duidelijke areaaluitbreiding. Dit is het meest opvallend in Noord-Brabant en het aangrenzende deel van Midden-Limburg. In de Kempen namen de aantallen toe van 25-40 paren in 1975 naar 425-500 in 1996, met een doorzettende groei daarna (Wouters 1997, P. Wouters pers. med.). In het noorden van het land heeft de soort zich weliswaar gevestigd in het zuidoosten van Friesland, Drenthe (vooral westelijke helft) en in het zuiden van Groningen, maar verliep de uitbreiding minder spectaculair. Deze verschillen hebben te maken met de neiging van jonge Bosuilen om zich zelden verder dan 15 km van hun geboorteplek te vestigen (Koning & Baeyens 1990). In het zuiden van het land waren meer bron­gebieden op korte afstand aanwezig dan in het noorden, zodat de uitbreiding er sneller kon plaatsvinden. De in de tweede helft van de 20e eeuw vastgestelde langzame kolonisatie van Drenthe, van 3-5 paren in de jaren zeventig tot 80 medio jaren negentig, is zelfs inmiddels omgezet in een lichte daling (50-60 paren in de atlasperiode). Achterblijvende reproductie en hoge sterfte, deels veroorzaakt door Havik en Buizerd, worden hiervoor verantwoordelijk gehouden (van Manen & Bijlsma 2000). Dat de situatie in Noord-Brabant verschillend is, kan te maken hebben met een groter aanbod van duiven aldaar, waardoor Haviken minder naar alternatieve voedselbronnen hoeven uit te kijken.

Ook elders zijn wisselende trends vastgesteld. De grote toename in de duinen, vooral in de jaren zeventig, is inmiddels voorbij. Belangrijke factoren hierbij waren het ouder worden van de bossen en de aanwezigheid van een vanouds bestaande populatie in de villadorpen op de oude beboste strandwallen. Het al of niet verschaffen van nestkasten had kennelijk geen invloed op dit proces, want in de duinbossen boven het Noordzeekanaal werden geen nestkasten aangeboden, maar nam de populatie toe tot vergelijkbare dichtheden als bezuiden deze lijn. Ook hier oefent de Havik zijn invloed uit en verdween de Bosuil in een aantal gevallen na vestiging van deze toppredator. Soms kwam dat doordat de Bosuil in kwestie de voor deze soort zeldzame actie van verhuizen ondernam, soms doordat hij als havikenmaaltijd eindigde. In de duinen boven het Noordzeekanaal trad eveneens een lichte daling van het aantal paren op nadat de Havik zich hier vestigde (Tamis 1998). Deze ontwikkelingen vinden voornamelijk plaats in voor de Bosuil niet-optimale broedhabitats, die kennelijk alleen bezet konden worden in een havikloze periode. Nu onze landschappen weer bevolkt worden door predatoren als Havik en Buizerd, wordt de Bosuil meer teruggedrongen tot zijn ‘oorspronkelijke’ habitats.

Aantallen

De huidige populatie wordt geraamd op 4500-5500 paren, uitgaande van de aantalsopgaven per atlasblok (ruim 4800 paren) en rekening houdend met enige onderschatting. In 1973-77 ging het om 2500-3000 paren.

 

Bron

Auteur(s)

Koning, F.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.