Overslaan en naar de inhoud gaan

Nachtzwaluw Caprimulgus europaeus

Foto: Jankees Schwiebbe

Indeling

Caprimulgidae [familie]
Caprimulgus [genus] (1/1)
europaeus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Sterke toename
Trend laatste 10 jaar: Sterke toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

De Nachtzwaluw is in 9% van de atlasblokken vastgesteld. Dit beeld zal op de Noord-Veluwe en in het midden en oosten van Noord-Brabant mogelijk niet geheel volledig zijn. De grootste verspreiding vinden we op de pleistocene zandgronden van de Veluwe, de Kempen en Noord-Limburg, in het bijzonder op duinvaaggronden. Deze uiterst schrale bodems vergrassen langzaam en hebben een droog en warm microklimaat. Elders in Noord-Brabant en Limburg is het voorkomen versnipperd, evenals in Drenthe, Salland en de Achterhoek. Buiten de vijf oostelijke en zuidelijke provincies treffen we alleen geïsoleerde vestigingen aan in de Schoorlse duinen (nh) en de Leusderheide (Utrechtse Heuvelrug). De vestiging in 1999 in het Kuinderbos (Noordoostpolder) betekende het eerste geval voor Flevoland (Bijlsma et al. 2001).

Op de centrale en zuidelijke Veluwe herbergen de meeste atlas­blokken meer dan 10 paren. In grotendeels met dennen dichtgegroeide zandverstuivingen komen zelfs los-vaste
kolonies voor, met 20 of meer paren per 100 ha. Lagere dichtheden worden vastgesteld op heidevelden met verspreide boomgroei en op kapvlakten. De topgebieden zijn de Veluwezoom, Hoge Veluwe, Planken Wambuis en vooral het Harskampse Zand, waar zelfs meer dan 100 paren in één blok zijn geteld in een uitgestrekt militair oefenterrein. In Noord-Brabant en Noord-Limburg broeden Nacht­zwaluwen niet alleen op heidevelden en kapvlaktes, maar ook in open dennenbossen met brede zandpaden. Kern­gebieden in Noord-Brabant zijn de Brabantse Wal bij Ossen­drecht en enkele gebieden in de Kempen: Landgoed De Utrecht bij Reusel, de Oirschotse Heide, Boswachterij De Kempen-Eersel en het Leenderbos. De belangrijkste Limburgse broedgebieden zijn de Bergerheide, De Hamert, de Meinweg en de Weerter- en Budelerbergen op de grens met Noord-Brabant. In Noordoost- en Midden-Nederland vinden we alleen concentraties in het Bargerveen (hoogveen­reservaat), op de Sallandse Heuvelrug (op grote kaalkappen) en de Leusderheide (militair oefenterrein).

Veranderingen

Het aantal zeker en waarschijnlijk bezette atlasblokken nam sinds 1973-77 met 30% af. De duinstreek, Zuidoost-Friesland en de Utrechtse Heuvelrug zijn vrijwel prijsgegeven. Ook Oost- en Zuid-Nederland deelden in de ellende. Alleen de centrale en zuidelijke Veluwe en westelijk Noord-Brabant bleven hiervan gevrijwaard, in het laatste gebied is zelfs enige terreinwinst geboekt (Bult in druk). De nieuwe vestigingen in Drenthe en het oosten van Noord-Brabant zijn deels een gevolg van beter onderzoek.

Het begin van de areaalinkrimping dateert van ruim vóór de eerste atlasperiode. Rond 1900 begonnen de aantallen op de Britse Eilanden te kelderen en Nederland volgde vanaf 1930, het westen en noorden het eerst. Over de oorzaken is veel geschreven maar weinig opgehelderd. De Engelsen noemen atlantisering van het klimaat - tendens naar koelere en nattere zomers - als belangrijke factor, waardoor de zomers te kort zijn om nog twee broedsels groot te brengen (Morris et al. 1994). Voor Nederland is dit niet waarschijnlijk; de zomers van de jaren zestig waren weliswaar koeler dan ervoor, maar de afname zette al ruim vóór die tijd in. Omgekeerd leidde een serie van mooie zomers in de jaren tachtig en negentig niet tot een volledig populatieherstel, al waren er wel regionale aanzetten daartoe. Habitatveranderingen zijn in Nederland aannemelijker oorzaken, zoals het opruimen van heidefragmenten en veranderingen in bosbeheer, waarbij in sommige regio’s dunningen het kaalkapsysteem gingen vervangen. Door vergrassing van heidevelden als gevolg van verzuring en vermesting verdwenen de voor het nestelen benodigde onbegroeide plekken en nam waarschijnlijk ook het voedselaanbod, nachtvlinders en vliegende kevers, af (Maréchal 1989). Onbekend maar mogelijk belangrijk is de situ­atie in de Afrikaanse overwinteringsgebieden; tot op heden is slecht bekend waar onze broedvogels de winter doorbrengen, laat staan dat we weten in welke mate de overleving daar wordt beïnvloed door droogte, veranderingen in het landschap en insecticidengebruik.

Ook bij het plaatselijk in de jaren negentig, soms eerder, vastgestelde herstel is het moeilijk om eenduidige oorzaken aan te wijzen. De grootschalige kap van bos op de Sallandse Heuvelrug ten behoeve van het Korhoen gaf de lokale Nachtzwaluwen zeker een flinke impuls (Janssen 1995). Ook in Noord-Brabant speelde kaalkap lokaal een rol (Stippelberg, De Utrecht), maar in Drenthe vond herstel, ondanks het vellen van veel bos ten gunste van heide en zandverstuivingen, slechts in geringe mate plaats (van Manen & Speelman 1998). Op de Zuidoost-Veluwe verdubbelde de populatie in de jaren negentig bij een ongewijzigd beheer (Kwint & Vogel 2000). Of hierbij enkele warme en lange zomers in de jaren negentig meespeelden (vergroot voedselaanbod, mogelijkheid om twee broedsels groot te brengen), is speculatief.

Aantallen

De Nederlandse populatie omvatte in 1998-2000 950-1150 paren, waarvan de Veluwe en Noord-Brabant elk 35% voor hun rekening namen. In 1973-77 werd de populatie eveneens in die orde van grootte geraamd (1000 paren; Bijlsma et al. 2001), al was dat waarschijnlijk te laag. Gelet op de veel ruimere verspreiding en vermoedelijk hogere aantallen van de jaren vijftig en eerder is er, ondanks het recente herstel, nog weinig reden tot juichen.

Bron

Auteur(s)

Vogel, R.L.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.