Overslaan en naar de inhoud gaan

Nijlgans Alopochen aegyptiaca

Foto: Bert de Ruiter

Indeling

Anatidae [familie]
Alopochen [genus] (1/1)
aegyptiaca [soort]

Voorkomen

StatusExoot. Tussen 10 en 100 jaar zelfstandige handhaving. (2b)
Habitatland zoet
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Sterke toename
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Als waarschijnlijke of zekere broedvogel is de Nijlgans in 55% van de atlasblokken opgemerkt. Mogelijke broedgevallen zijn vooral vastgesteld in de randzones van het verspreidings­gebied en in regio’s met lage dichtheden. Een deel van deze waarnemingen betreft rondzwervende niet-broedvogels.

De hoogste aantallen per atlasblok, minstens tien paren en geregeld zelfs meer dan 25, zijn vastgesteld in Laag-Nederland en langs de Grote Rivieren. Regionale studies geven inzicht in de precieze dichtheden. In het noordoosten van het land is de Nijlgans opvallend talrijk rond het Paterswoldermeer, Zuidlaardermeer en de aangrenzende beekdalen, waar dichtheden van meer dan 10 paren per 100 ha voorkomen (Venema 1992). In de laagveengebieden van Friesland, Noordwest-Overijssel, Utrecht, Noord- en Zuid-Holland zijn dichtheden van tenminste 5 paren per 100 ha gebruikelijk, zeker wanneer er een afwisseling is van beboste legakkers, water en graslanden. Vergelijkbare dichtheden zijn vastgesteld in de Hollandse duinstreek, waar de soort huist op infiltratiekanalen en vijverpartijen (uitschieter van 20 paren per 100 ha op landgoed Elswout bij Haarlem; de Nobel 1999). In de kleipolders van Noord- en West-Nederland en Flevoland is de Nijlgans aanmerkelijk schaarser. In deze grootschalige akkerbouwgebieden zijn plassen en graslanden dun gezaaid, evenals potentiële nestverschaffers zoals de Zwarte Kraai. Op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden is de soort om dezelfde reden voornamelijk beperkt tot de buitendijkse gebieden en binnendijkse kreken met moerasontwikkeling langs de oevers.

Langs IJssel, Waal en Rijn springen uiterwaarden met een afwisseling van water, bos en grasland er in positieve zin uit ten opzichte van zeer open en minder gevarieerde uiterwaarden. De dichtheden in de betere uiterwaarden bedragen niet zelden meer dan vijf paren per 100 ha, wat ook geldt voor de Biesbosch. In binnendijkse komkleigebieden is de soort veel schaarser. Op de zandgronden komt de Nijlgans doorgaans alleen voor in of rond open, grazige beekdalen, vennen, zandwinplassen en andere wateren. Hier gaat het vaak maar om enkele paren per atlasblok. De vogels nestelen hier tot op 1 km van open water, betrekkelijk vaak op een horst van een Havik of Buizerd; soms was deze al verlaten, soms zijn de oorspronkelijke bewoners verdreven (van Dijk 2000).

Het broedseizoen van Nijlganzen in Nederland is gerekt. Ouders met jongen worden gemeld tussen januari en oktober, met een duidelijke piek van half april tot begin juni.
Direct na uitkomst bevat de gemiddelde toom 5,6 jongen, waarvan er gemiddeld 4,3 vliegvlug worden (Lensink 1999, Lensink & Sage in druk).

Veranderingen

Sinds de vorige broedvogelatlas maakte de Nijlgans in ons land en de aangrenzende delen van Duitsland en België een pijlsnelle opmars door. De uitbreiding over Nederland is gedocumenteerd in Lensink (1996a, 1998a, 1999). De zegetocht begon in Zuid-Holland. Nadat uit parken in Rijswijk en Wassenaar afkomstige Nijlganzen zich in de vrije natuur hadden gevestigd, vond in 1967 het eerste broedgeval plaats bij Scheveningen. Rond 1977 bevolkte de soort vooral de omgeving van ’s-Gravenhage en Leiden. Van daaruit koloniseerde hij de westelijke helft van het land, waarbij hij pas in 1989 in het Deltagebied verscheen. In 1977 werd het eerste broed­geval in het oostelijk rivierengebied vastgesteld, mogelijk vogels die de sprong vanuit het westen van het land hadden gemaakt. Van hieruit vestigden zich al snel paren langs de IJssel, Rijn en Waal, vanaf halverwege de jaren tachtig ook langs de Maas. Rond 1995 verscheen de Nijlgans via het Maasdal in Oost-België. Vanuit het oostelijk rivierengebied trok de soort rond 1993-94 stroomopwaarts het Rijndal in (Hüppeler 2000) en werden ook de Achterhoek en Twente bezet. De uitbreiding vanuit ’s-Gravenhage had een gemiddelde snelheid van 3,3 km per jaar, waarbij deze in de jaren zeventig en tachtig wat lager was dan in de jaren negentig.

Het voorkomen in Noord-Nederland dateert uit 1981, toen Nijlganzen zich vanuit een Gronings park vestigden in de directe omgeving van deze stad. De uitbreiding over het noorden van het land en het aangrenzende deel van Duitsland kende een uitbreidingssnelheid die vergelijkbaar is met die in West-Nederland. Rond 1993-94 raakten de kolonisatiegolven vanuit Groningen en het IJsseldal elkaar in Noordwest-Overijssel. De Waddeneilanden waren in de jaren negentig aan de beurt, zoals Texel in 1994 en Vlieland in 1999.

Aantallen

De landelijke broedpopulatie nam sinds 1967 (1 paar) toe tot achtereenvolgens 7 paren (1972), 48 (1977), 115 (1983), 345 (1989) en 1350 (1994). Anno 2000 ging het om minstens 4500-5000 paren, gelet op de schattingen per atlasblok, waarvan de som ruim 4900 is. De vogels die het westen van het land en het rivierengebied koloniseerden, kenden een jaarlijkse toename van 11%; die in het noorden een van 16%. In sommige gebieden is de toename inmiddels voorbij. Het aantal paren gaat dan schommelen, waarbij strenge winters een negatief effect hebben. Toename van de dichtheid gaat tevens samen met afnemend reproductief succes van de betrokken paren (Lensink 1996a, 1999).

Bron

Auteur(s)

Lensink, R.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.