Overslaan en naar de inhoud gaan

Slobeend Anas clypeata

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Anatidae [familie]
Anas [genus] (21/7)
clypeata [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Stabiel
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Slobeenden zijn vastgesteld in 55% van de atlasblokken. In eentiende hiervan, verspreid over het hele land, is de soort alleen mogelijke broedvogel. Voor zover het hier om goed onderzochte blokken gaat, zal het vermoedelijk doortrekkers betreffen of broedvogels van elders die, na een mislukte broedpoging, verkast zijn.

Het gros van de Nederlandse Slobeenden huist in West- en Noord-Nederland. De laaggelegen graslandgebieden van Friesland, Noord- en Zuid-Holland laten een nagenoeg aaneengesloten verspreiding zien. Hetzelfde geldt voor andere water- en moerasrijke streken, zoals de Waddeneilanden, Noordwest-Overijssel, de Randmeren, het rivierengebied (met uitzondering van het zuidelijk Maasdal) en het Deltagebied. De soort ontbreekt in Laag-Nederland eigenlijk alleen in verstedelijkte gebieden, droge duinen en in door akkerbouw gedomineerde streken waar moerassen of ondiepe sloten schaars zijn, zoals in Noord-Groningen, de Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland. Op de hogere gronden van Nederland is de verspreiding sterk versnipperd en blijft het voorkomen grotendeels beperkt tot vennen, hoogveengebieden en vochtige open beekdalen, met name in Drenthe, Overijssel en het zuiden van Noord-Brabant.

Het aantal broedparen per atlasblok wordt in driekwart van de bezette atlasblokken op hooguit tien geschat. In slechts 52 blokken (6%) gaat het om meer dan 25 paren, met concentraties in het Lage Midden van Friesland, de Zaanstreek en de Utrechts-Hollandse veenweiden. Verder vallen de grote aantallen op in het oostelijk Deltagebied; de soort broedt hier vooral op voormalige schorren in afgesloten (delen van) zee­armen, bijvoorbeeld het Markiezaatsmeer, Volkerakmeer en Haringvliet. In het rivierengebied is de Slobeend vrij talrijk langs de Lek bij Culemborg en de Waal ten oosten van Nijmegen. De Hollands-Zeeuwse duinen scoren niet bijster goed, vergeleken met de Waddeneilanden. Ook de aantallen in de Oostvaardersplassen zijn gering, terwijl hier ruiconcentraties tot wel 13.000 exemplaren voorkomen (Platteeuw et al. 1999). In Hoog-Nederland zijn noemenswaardige aantallen alleen vastgesteld in hoogveengebieden als het Bargerveen in Zuidoost-Drenthe, de Engbertsdijksvenen in Twente en de Groote Peel.

Veranderingen

Ten opzichte van de jaren zeventig is de verspreiding van de Slobeend gekrompen; de soort is uit ruim tweemaal zoveel atlas­blokken verdwenen als verschenen. De soort heeft met name in Drenthe, Flevoland en het midden van Noord-Brabant veel terrein prijsgegeven. In Zuidelijk Flevoland waren de omstandigheden in de jaren zeventig, kort na de inpoldering (1968) veel gunstiger voor de Slobeend dan tegenwoordig. Het verdwijnen elders, veelal uit agrarisch gebied, is waarschijnlijk toe te schrijven aan ruilverkavelingen, waterpeilverlaging en andere landschappelijke ingrepen. Dat deze veranderingen in landgebruik, die overal plaatsvonden, alleen de verspreiding in Hoog-Nederland zichtbaar deden afnemen, heeft te maken met de toch al kleine broedvogelaantallen aldaar.

Relatief veel nieuwe vestigingen vonden plaats in Groningen, het Deltagebied, verspreid over Noord-Brabant en langs de Maas. De vestigingen in het Deltagebied zijn een gevolg van het ontstaan van geschikte habitat, na het afsluiten en ver­zoeten van getijdengebieden. De nieuwe vestigingen elders hangen deels samen met vernatting van heide- en hoogveengebieden, herstel van vennen en aanleg van natte natuur­ontwikkelingsgebieden.

De aantalsontwikkeling van de Slobeend in de laatste decennia is gedifferentieerd. In de duinen zijn de aantallen sterk teruggelopen; de huidige aantallen bedragen slechts een kwart van die eind jaren zestig. Verdroging van het duingebied speelt hierbij een grote rol. Zo is van het duingebied Berkheide (ZH) bekend dat de Slobeend er in aantal terugliep toen de water­win­ning in het gebied werd geïntensiveerd (van Ommering & Ver­strael 1987). In moerasgebieden vertonen de aantallen, los van een lichte achteruitgang ten opzichte van de jaren zestig, al geruime tijd geen duidelijke verandering. Dit laatste geldt ook voor het agrarische gebied, wat opvallend mag heten. De veranderingskaart toont immers een verdwijning uit veel door agra­risch gebied gedomineerde atlasblokken, wat bevestigd wordt in streekavifauna’s (o.a. van den Brink et al. 1996). Ook in de kerngebieden gaat het niet overal goed met de soort. Zo is de Slob­eend in Noord-Holland teruggelopen van 1250 paren in de ja­ren zeventig naar 800 in de jaren tachtig, vooral als gevolg van waterpeilverlaging en andere veranderingen in de agrarische bedrijfsvoering (Tanger & Zomerdijk 1985). In gebieden die hiervan gevrijwaard zijn gebleven (veel weidevogelreservaten), konden de aantallen meer op peil blijven. Ook in Groot-Brittannië is de soort afgenomen in het cultuurland (Gibbons et al. 1993). Dat de vermoedelijk negatieve trend in agrarisch gebied niet uit de grafiek blijkt, hangt vermoedelijk samen met de oververtegenwoordiging van goede weidevogelgebieden in de steekproef.

Aantallen

De aantalsopgaven per atlasblok komen uit op 8600 paren in Nederland (schatting 8000-9000). Dit is lager dan de 9000-12.000 paren ten tijde van de eerste Nederlandse broedvogelatlas in 1973-77.

Bron

Auteur(s)

Kleunen, A. van

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.