Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Krakeend Anas strepera

Foto: Marion Haarsma

Indeling

Anatidae [familie]
Anas [genus] (21/7)
strepera [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet brak
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Sterke toename
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

De verspreidingskaart geeft een goed en volledig beeld van het voorkomen. De Krakeend broedt in bijna 700 atlasblokken (42%), met een duidelijke concentratie in de noordwestelijke, lage helft van Nederland. Het meest bepalend voor het voorkomen als broedvogel lijkt de aanwezigheid van ondiepe, voedselrijke wateren te zijn en van rijk begroeide, wat ruige oevers. De hoogste dichtheden vinden we in een drietal landschapstypen: de Friese en Noord-Hollandse - meestal op laagveen gelegen - weidegebieden (zuidwestelijk Friese merengebied, Zaanstreek, Waterland), grote voedselrijke moerasgebieden op kleibodems (Lauwersmeer, Oostvaardersplassen, Biesbosch) en de voedselrijke zoete tot enigszins brakke wateren van het Deltagebied (Haringvliet, Hollands Diep, Volkerakmeer, Zoommeer, Markiezaatmeer, Saeftinge). Voorts is de Krakeend een gewone verschijning op enkele Waddeneilanden (vooral Terschelling), in West-Friesland tussen Medemblik-Enkhuizen, in de natte delen van de Hollandse duinen, Noordwest-Overijssel, Zuidelijk Flevoland, langs de Randmeren en in het rivierengebied (speciaal in de uiterwaarden; Erhart & Bekhuis 1996).

In Hoog-Nederland beperkt het voorkomen zich hoofd­zakelijk tot de natte hoogveen- en heidegebieden, zoals het voorkomen in westelijk Drenthe en in de Peel aantoont. In West-Nederland komt de Krakeend tegenwoordig ook dicht bij het stedelijk gebied tot broeden (Melchers & Daalder 1996). De soort lijkt wat dat betreft redelijk opgewassen tegen verstoring door bebouwing en verkeer.

Veranderingen

Het verspreidingsgebied van de Krakeend heeft zich sinds de jaren zeventig fors uitgebreid, in het bijzonder in de noordwestelijke helft van Nederland. In Noord- en Zuid-Holland en het Deltagebied, waar de soort in 1973-77 reeds verspreid voorkwam, heeft de Krakeend de tussenliggende gebieden sindsdien in bezit genomen. Daarnaast zijn er ook nieuwe gebieden bezet, zoals oostelijk Groningen en grote delen van het rivierengebied, inclusief het IJsseldal en de Limburgse Maas.

Vóór 1970 stond de Krakeend nog te boek als een ‘zeer schaarse broedvogel’ (CNA 1970). Tijdens de eerste atlasperiode in 1973-77 werd de Krakeend in 290 atlasblokken aangetroffen (17%), met het zwaartepunt in Friesland, Flevoland, de Hollandse veenweidegebieden en kunstmatige duinmeren alsmede de Biesbosch. In juni-juli 1979-83 waren ongeveer 350 atlasblokken (20%) bezet, wat op een toename wees. In de periode 1998-2000 blijkt het aantal bezette atlasblokken een factor 2,4 groter te zijn dan medio jaren zeventig.

De bmp-indexen geven aan dat de groei geleidelijk plaatsvond, amper onderbroken door strenge winters (1984/85, 1985/86, 1986/87, 1995/96, 1996/97) of zeer droge voorjaren (1992, 1993, 1996, 1997) (van Dijk et al. 2001a). De groei was het sterkst in agrarisch gebied (15-voudige toename sinds 1980!). De soort broedt in graslanden doorgaans op wat ruigere plekken dan de meeste andere eendensoorten, en heeft daardoor wat minder te lijden van vee en maaien (Tanger & Zomerdijk 1987). De aantallen in moerasgebieden zijn, na een inzinking, verdubbeld, terwijl in de duinen een toename in de jaren zeventig werd omgebogen in afname vanaf de jaren tachtig. Daarmee hebben de infiltratiegebieden in de duinen hun vooraanstaande positie moeten opgeven. Dit bevestigt het beeld dat de Krakeend vooral zeer voedselrijke wateren opzoekt, want het voedselaanbod in de infiltratiegebieden is in de loop van de jaren tachtig afgenomen door verbeterde voorzuivering van geïnfiltreerd water en het verdwijnen van grote meeuwenkolonies. Ook de komst van de vos en het dichtgroeien van de infiltratieplassen in de jaren tachtig spelen mogelijk een rol (Tanger & Zomerdijk 1987, Ruitenbeek et al. 1990, Geelhoed et al. 1998).

De toename van de Krakeend in Nederland vormt onderdeel van een proces dat grote delen van West-Europa beslaat. Het is aannemelijk dat de toename in eerste instantie werd veroorzaakt doordat de oostelijke herkomstgebieden aan belang hebben ingeboet door grootschalige ontginning, terwijl de West-Europese wateren door hun toegenomen voedselrijkdom - denk alleen al aan de fosfaatbelasting - voor Krakeenden aantrekkelijker werden (Cramp & Simmons 1977). De meest recente uitbreiding van de Nederlandse broedpopulatie in de jaren tachtig en negentig is waarschijnlijk beïnvloed door ontwikkelingen in eigen land, en niet zozeer door aanvoer van elders. De aanhoudende toename in Nederland wijkt in ieder geval enigszins af van de ontwikkeling elders in West- en Midden-Europa. In Duitsland bleven de aantallen in de periode 1970-90 stabiel, in Frankrijk namen ze af en alleen in Polen en Tsjechië stegen ze (Hagemeijer & Blair 1997).

Aantallen

De landelijke populatie in 1998-2000 wordt begroot op tenminste 6000-7000 paren, aangezien de som van de schattingen per atlasblok op 6600 uitkomt. Ten opzichte van de 550-800 paren in 1973-77 en 1600-2400 in 1979-85 betekent dit een enorme toename. 

Bron

Auteur(s)

Huijssteeden, E. van

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.