Overslaan en naar de inhoud gaan

Smient Anas penelope

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Anatidae [familie]
Anas [genus] (21/7)
penelope [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet brak marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Stabiel
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Waarschijnlijke en zekere broedgevallen van Smienten zijn vrijwel uitsluitend in Laag-Nederland vastgesteld, met enige nadruk op de IJsselmeerkust, het Gelderse rivierengebied en het oostelijk Deltagebied rond het Markiezaatsmeer. Het relatief geringe aantal meldingen uit het Waddengebied, dat als overwinteringsgebied een prominente plaats inneemt, is opmerkelijk, ook wanneer de geringe oppervlakte moeras op de eilanden in aanmerking wordt genomen. De herkomst van de broedvogels in Nederland is overigens onduidelijk. In het verleden werden broedgevallen vaak toegeschreven aan tamme Smienten die in eendenkooien als lokvogel werden gehouden of aan ontsnapte parkvogels. Voorts kunnen er aangeschoten of zieke, achtergebleven vogels bij betrokken zijn.

De interpretatie van de kaart wordt bemoeilijkt door onduidelijkheid omtrent de broedstatus van de aanwezige vogels. De mogelijke broedgevallen zullen vrijwel steeds over­zomeraars of late trekkers betreffen, wat ook grotendeels voor de waarschijnlijke broedgevallen kan gelden. Overzomerende paren vertonen immers geregeld baltsgedragingen. Zekere broedgevallen, die (al zijn sommige waarnemers wel wat gemakzuchtig met deze broedcode omgegaan) gewoonlijk waarnemingen van vogels met pulli zullen betreffen, zijn in de drie inventarisatiejaren uit slechts 14 atlasblokken gemeld. Om meer duidelijkheid te krijgen omtrent van broeden verdachte vogels is nauwkeurige observatie nodig. Illus­tratief zijn de gevallen in de Ackerdijkse Plassen nabij Delft (B. Teunissen pers. med.). De eerste broedverdachte vogels werden gezien in 1994. In 1996, toen zich hier vier paren ophielden, werd ook een nest aangetroffen en later een vrouwtje met twee pulli gezien. In de daaropvolgende jaren verbleven hier in de broedtijd gemiddeld vier paren per jaar, waarbij het gemiddeld om 2,4 broedverdachte paren ging en 0,8 wijfjes met pulli. Opmerkelijk genoeg kwam van deze broedgevallen, voor zover bekend, geen enkel jong tot volledige wasdom. Vroegtijdig verlies van jongen lijkt ook in veel andere gebieden te spelen. Net vliegvlugge jonge Smienten in Nederland zijn een zeldzaam fenomeen. Aangezien het uitzwermen van muggen een belangrijke factor blijkt te zijn voor het broedsucces (Jacobsen 1991), lijkt mistiming bij het broeden een aannemelijke reden voor de mislukkingen. De jongen van veel (sub)arctische broedvogels groeien sneller dan die van verwante soorten uit de gematigde klimaatzones. Voor deze snelle groei is een eiwitrijk dieet nood­zakelijk. Om dit mogelijk te maken, is de broedcyclus afgestemd op de piektijd van uitzwermende muggen. Wellicht kiezen Smienten in een gematigd klimaat niet de juiste datum om met broeden te beginnen, waardoor de jongen onvoldoende eiwitrijk voedsel tot zich kunnen nemen.

Veranderingen

Hoewel de overwinterende aantallen Smienten de laatste tientallen jaren en tot halverwege de jaren negentig fors zijn toegenomen, lijkt van een sterke groei van de broedpopulatie in Europa geen sprake (Hagemeijer & Blair 1997). Goede informatie hierover is echter schaars, en ontbreekt zelfs nagenoeg voor de belangrijke Russische populatie.

Een vergelijking met de vorige broedvogelatlas is een hachelijke zaak doordat broedgevallen niet eenvoudig vast te stellen zijn en de soort schaars is. Wanneer we de kaartbeelden vergelijken, valt het op dat het IJsselmeergebied, vooral Zuidelijk Flevoland, veel van zijn betekenis verloren heeft, net als de Grevelingen in het Deltagebied. Het is aannemelijk dat de Smient hier destijds pionierssituaties heeft benut die daar 30 jaar later niet meer voorkomen. Daarentegen heeft het rivierengebied duidelijk aan belang gewonnen. Het is verleidelijk - maar verder niet onderzocht - om hierbij aan de effecten van recente natuurontwikkelingsprojecten te denken.

Is een vergelijking met de vorige atlasperiode al lastig, een vergelijking met vroegere tijden is vrijwel onhaalbaar. Veronderstellingen omtrent een toename van het aantal broedgevallen zijn te voorbarig. De toename van het aantal vogelaars, de uren die zij in het veld doorbrengen en veranderingen in de interpretatie van veldwaarnemingen vertroebelen het beeld in hoge mate.

Aantallen

Het is buitengewoon lastig om een schatting te maken van het aantal paren dat jaarlijks in Nederland broedt. De atlasgegevens wijzen op minstens 20-30 broedverdachte paren in 1998-2000, naast enkele tientallen overzomerende paren. Het aantal zekere broedgevallen is echter laag en zal zelden de tien overschrijden (Bijlsma et al. 2001, van Dijk et al. 2001b). Alleen een veel kritischer instelling bij de tellers kan voor meer duidelijkheid zorgen.

 

Bron

Auteur(s)

Eggenhuizen, T.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.