Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Wintertaling Anas crecca

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Anatidae [familie]
Anas [genus] (21/7)
crecca [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Stabiel
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Het inventariseren van Wintertalingen is geen sinecure. In de broedtijd leven ze tamelijk verborgen in of aan de rand van dichte oevervegetaties en verraden hun aanwezigheid dan alleen door roepgeluiden of watergespetter. Als ze opvliegen, blijkt steevast dat het er meer waren dan gedacht.

Aan de hand van de driftig pruup-pruup roepende man­netjes kan een aardig beeld van de aantallen verkregen worden. Vroeg in het broedseizoen, vooral in april, jagen mannetjes elkaar soms over flinke afstanden na, zodat grote water­rijke natuurgebieden het beste simultaan of in tijdsbestek van enkele uren geteld kunnen worden. Bij herhaald waarnemen wordt plaatstrouw zichtbaar en vallen de meeste doortrekkers of wintergasten door de mand. Volledig uit te sluiten zijn die echter niet en dat geldt ook voor zomer­gasten of overzome­raars. Vaak moet de waarnemer zich dus behelpen met moeilijk te interpreteren waarnemingen van paren of individuen in mei-juli.

In meer dan een kwart van de bijna 600 bezette atlasblokken is de Wintertaling alleen mogelijke broedvogel. Onvermijdelijk zitten hier de nodige late doortrekkers en andere niet-broedvogels tussen. Dat geldt zelfs voor een deel van de waarschijnlijke broedgevallen. Bovendien zijn gegevens uit drie jaren gecumuleerd. De gemiddelde verspreiding is minder ruim dan hier getoond.

Echt belangrijke broedgebieden, waar minimaal enkele tientallen paren per atlasblok voorkomen, zijn uitsluitend bekend van de hogere gronden. Het gaat daarbij om heide- en hoogveenge­bieden met veel vennen in Drenthe, Zuidoost-Friesland, Twente (Engbertsdijksvenen, Haaksbergerveen), oostelijk Noord-Bra­bant en de Peel. Elders in Neder­­land zijn aantallen van 4-10 pa­ren per blok al heel aardig. Dergelijke aantallen worden zowel uit Hoog-Nederland gemeld (westelijk Noord-Brabant, Noord-Limburg) als Laag-Nederland (Lauwersmeer, laagveengebieden Zuid-Friesland en Noordwest-Overijssel, natuurontwikkelingsgebieden in het IJsselmeergebied, Zaanstreek, noordelijke Vechtplassen, Bies­bosch). Toch is de Wintertaling in veel moerasrijke streken op kleigrond dun gezaaid, zoals in het westen van Friesland, de Oostvaardersplassen en Zeeland. Hetzelfde kan worden gezegd van de Hollandse duinen. Op de Waddeneilanden, vooral Terschelling, is het voorkomen wat substantiëler.

De aantallen Wintertalingen kunnen jaarlijks sterk fluctue­ren, veelal in samenhang met droogte tijdens het broed­seizoen (slechte vestigingsmogelijkheden) of streng winterweer (verhoogde wintersterfte). In 1998-2000 was er nog enige nasleep van droogte en/of wintersterfte in 1996 en 1997. Op basis van langjarig getelde gebieden in Drenthe, Zuidoost-Friesland en de Groote Peel mag worden verondersteld dat de aantallen in Nederland in 1996-97, net vóór de atlas­periode, extreem laag waren, met lokaal zelfs de laagste getelde aantallen gerekend vanaf 1970. Gedurende de atlas­periode vond enig herstel plaats, geholpen door zacht winterweer en gunstige waterstanden in de broed­seizoenen van vooral 1999 en 2000.

Veranderingen

De soort is in bijna 460 in 1973-77 bezette atlasblokken niet meer vastgesteld als zekere of waarschijnlijke broed­vogel. De Wintertaling heeft in heel Nederland terrein verloren, maar opvallend veel in Drenthe, Overijssel, Zuidelijk Flevo­land (ontginning), de Veluwe en Gelderse Vallei, geheel West-Nederland en midden en zuidoostelijk Noord-Brabant. De nieuw bezette blokken liggen in hoofdzaak buiten de traditionele broedgebieden op de hoge gronden. 

De afname komt duidelijk tot uiting in langjarige tellingen in de duinen en, wat minder pregnant, heidegebieden (vooral Drenthe, situatie elders niet goed bekend). Ge­gevens uit andere gebieden bevestigen het idee van afname. Zo is de stand op Ameland en Texel tussen beide atlas­perioden gehalveerd, in delen van Noordwest-Overijssel gedecimeerd en in de Biesbosch licht teruggelopen (Bijlsma et al. 2001, Meijer 1995). Toch zijn er ook minder negatieve berichten. In de Groote Peel zetten fluctuaties de toon (1984-99 in deelgebied 5-42 paren; van Seggelen 1999a). In door beheersmaatregelen vernatte hoogvenen is de Wintertaling tussen beide atlasperioden soms toegenomen, zoals in het Fochtelooërveen (van 50-65 naar 90-100 paren; Feenstra 2000) en Bargerveen in Zuidoost-Drenthe (van 80 naar 165-196 paren; de Vries 2001). In Zuidwest-Drenthe en het Dwingelderveld is de Winter­taling sinds 1968 afgenomen van 360 paren naar 137. Door vernatting van heidegebieden kon de aanvankelijke afname worden teruggedraaid (1978 160 en 1982-94 230-355 paren). Tussen 1995 en 2000 kelderde de stand echter zonder aanwijsbare oorzaken naar 80-140 paren (van den Brink et al. 1996, Kleine 2001, A.J. van Dijk ongepubl.). In het Lauwersmeer heeft de Wintertaling zich omstreeks 1980 gevestigd (van den Brink et al. 1992). In 1998-2000 waren hier zeker 10-20 paren aanwezig.

Aantallen

Het atlasmateriaal wijst op een broedpopulatie van bijna 2500 paren. Ervan uitgaande dat de meeste schattingen betrekking hebben op de gunstige jaren 1999 en 2000, en rekening houdend met enige overschatting door het mee­tellen van niet-broedvogels, wordt de landelijke populatie in 1998-2000 op 2000-2500 paren gesteld. Dit is aan de ondergrens van schattingen uit de jaren zeventig en begin jaren tachtig (2300-5000 paren).

Bron

Auteur(s)

Dijk, A. J. van

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.