Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Tafeleend Aythya ferina

Foto: Kees Venneker

Indeling

Anatidae [familie]
Aythya [genus] (8/3)
ferina [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet brak marien
ReferentieZeldzame vogels van Nederland – Rare birds of the Netherlands. Avifauna van Nederland 1

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Vastgesteld als zekere of waarschijnlijke broedvogel in ongeveer eenvijfde van de atlasblokken is de Tafeleend vooral voorbehouden aan de lage delen van Nederland. De verspreiding is het meest aaneengesloten in de laagveengebieden van Friesland, Noordwest-Overijssel en Noord-Holland. Voorts komen relatief veel Tafeleenden voor in de Oostvaardersplassen, de Vechtplassen en het noordelijk en oostelijk Deltagebied. Op de Waddeneilanden, in de duinstrook, in de laagveengebieden van Zuid-Holland en in het rivierengebied is het voorkomen minder ruim dan verwacht op grond van de aanwezige oppervlakte moerassen en plassen. In de zeekleigebieden van Groningen, Friesland, Flevo­land en West-Nederland laat de Tafeleend op veel plaatsen verstek gaan. Op de hoge gronden is het schaarse broedvoorkomen beperkt tot voedselrijke vennen, ontgrondingen en soms ook visvijvers (Valkenswaard).

Veranderingen

De soort heeft ten opzichte van 1973-77 enig terrein moeten prijsgeven, want het aantal verlaten atlasblokken is iets groter dan het aantal nieuw bezette blokken. Vooral in Friesland, Drenthe, Flevoland, het oostelijk rivierengebied en het midden van Noord-Brabant heeft de Tafeleend wat veren moeten laten. De meeste winst is behaald in het westen van het land.

De soort kent in Nederland een geschiedenis met ups en downs (overzicht in Bijlsma et al. 2001). Aanvankelijk als broedvogel beperkt tot Friesland en Noord-Brabant, trad een noemenswaardige verruiming van de verspreiding pas op vanaf de jaren veertig van de 20e eeuw, toen het broed­areaal met het Noord-Hollandse veenweidegebied werd uitgebreid. In 1973-77 broedde de soort verspreid over het hele land met als kerngebieden Friesland, Noordwest-Overijssel, het Noord-Hollandse veenweidegebied, het rivierengebied en de Peel. Van een omvangrijke verdere uitbreiding sindsdien is geen sprake.

Broedvogeltellingen in geheel Nederland suggereren een stijgende trend tot ongeveer 1980, gevolgd door een lichte afname. In de Noord-Hollandse veenweidegebieden, waar de aantallen in de periode 1970-89 met 50-75% daalden, zou dit te wijten zijn aan het minder uitbaggeren van sloten. In het troebele, ondieper wordende water is onvoldoende voedsel voor Tafeleenden te vinden. In dezelfde periode was er een explosieve groei van het aantal broedparen van 20 naar 100 in de infiltratiegebieden in de duinen bij Zandvoort, die door de komst van de vos en toegenomen concurrentie om voedsel met vissen even snel ongedaan werd gemaakt (Ruitenbeek et al. 1990). In sommige gebieden is echter van afname geen sprake, zoals in De Wieden in Noordwest-Overijssel, waar een toename plaatsvond van 90-100 paren in 1982 tot 225 in 1995 (Veldkamp 1999a).

Waarom de Kuifeend het als broedvogel in Nederland zoveel beter doet dan de Tafeleend, laat zich niet zomaar verklaren. Doordat de waterkwaliteit in de jaren negentig veelal is verbeterd, zou verwacht kunnen worden dat dit de meer vegetarische Tafeleend in de kaart zou spelen. Buiten de broedtijd lijkt dit regionaal ook het geval te zijn, want in de verspreiding van de najaars- en winterpopulatie zijn inderdaad veranderingen opgetreden. Zo werd de afname in het IJsselmeergebied vanaf begin jaren tachtig - vermoedelijk vanwege verminderd aanbod van driehoeksmosselen (van Eerden et al. 1997) - gevolgd door sterke toename op de Randmeren, met name Veluwemeer en Gooimeer, vanaf begin jaren negentig (Voslamber & van Winden 1999). Deze toename houdt waarschijnlijk verband met het herstel van ondergedoken waterplanten hier (Noordhuis 2000b). Tot dusverre heeft de ook elders geconstateerde verbetering van de waterkwaliteit evenwel nog niet geleid tot een toename van het aantal broedparen. Wellicht heeft deze verbetering zich nog onvoldoende vertaald in een grootschalig herstel van de voor Tafeleenden belangrijke onderwatervegetaties?

Aantallen

De schattingen per atlasblok leveren een aantal van ruim 1900 broedparen op, zodat de landelijke schatting voor 1998-2000 op 1700-2100 paren wordt gesteld. Dit betekent een toename sinds de vorige atlas (1000-1300 paren in 1973-77) maar een stagnatie ten opzichte van begin jaren tachtig (1600-2300 paren in 1979-85).

Bron

Auteur(s)

Veldkamp, R.

Publicatie