Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Kuifeend Aythya fuligula

Foto: Kees Venneker

Indeling

Anatidae [familie]
Aythya [genus] (8/3)
fuligula [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet brak marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Stabiel
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Kuifeenden zijn in bijna driekwart van de atlasblokken vastgesteld. Grofweg kan men stellen dat de Kuifeend als broedvogel alleen ontbreekt in de hogere en droge delen van Drenthe, Overijssel, Gelderland (Veluwe), oostelijk Noord-Brabant en Limburg.

De relatieve dichtheidskaart toont een zwaartepunt in de waterrijke gebieden van Groningen, Friesland, Noord-Holland, het rivierengebied en de Delta. Dat de soort in de zeeklei­gebieden van Noord-Holland en het noorden van het land hoge dichtheden bereikt, komt dankzij de aanwezigheid van niet al te brede, voedselrijke wateren met een voorkeursdiepte van 1,5-3 m. Door hun beschutte ligging en geringe diepte ontwikkelt zich hier in de voorzomer in snel tempo een relatief dichte macrofauna. In tegenstelling tot veel andere eenden­soorten, moeten jonge Kuifeenden met een energieverslindende methode (duiken) hun bewegend voedsel bemachtigen. Voor hun energiebalans is de aanwezigheid van veel dierlijk voedsel in de eerste levensweken daarom van groot belang. Langdurige koudeperioden in juni werken zeer negatief uit op het broedsucces. Bredere wateren, waar de opwarming van het water langzamer verloopt en de macrofauna zich bijgevolg later ontwikkelt, worden meestal later opgezocht of zijn schaarser bezet (let op de relatief lage dichtheden in Flevoland, waar de tochten en vaarten diep en breed zijn). In wateren die ondieper zijn dan ongeveer 1 m kan nauwelijks worden gefoerageerd door verslibbing en ‘opwolking’ van de bodem. Regelmatig uitbaggeren van poldersloten is daarom voor Kuifeenden van belang. Dit verklaart ook de veel geringere dichtheid in bijvoorbeeld Zuidwest-Friesland en Waterland, waar sloten en vaarten ondiep of slikkerig zijn. De aanwezigheid van driehoeksmossels in het broedgebied is niet van belang; er bestaat een duidelijk verschil - zeker voor jonge vogels - tussen de voedselvoorkeur in de broedtijd (slakjes, insecten) en de winterperiode (driehoeksmosselen). Het maakt voorts niet veel uit of de sloten en vaarten omgeven zijn door gras- of akkerland; er wordt zowel in grasland, akkers als in struweel gebroed, mits er geen ernstige verstoring optreedt. Een afwisseling van akkers en grasland of de aanwezigheid van niet-bebouwde overhoeken en brede wegbermen is gunstig. Nabij de kerngebieden komt de Kuifeend ook in stedelijk gebied voor indien er ruige, brede oevers langs kanalen en grachten aanwezig zijn, zoals in breed opzette nieuwbouwwijken uit de jaren zeventig.

Kuifeenden hebben soms een neiging om dicht bij elkaar te broeden, zodat er enige kolonievorming optreedt. Vermoedelijk wordt dit verschijnsel bevorderd doordat woerden weinig belangstelling tonen om andere vrouwtjes in de broedtijd lastig te vallen, in tegenstelling tot sommige andere eenden (Wilde Eend!).

Veranderingen

Vergeleken met de vorige broedvogelatlas is de Kuifeend in ruim 430 blokken nieuw verschenen, terwijl hij in dik 50 blokken verdween. De Nederlandse broedpopulatie is, na de explosieve groei vanaf de jaren vijftig, gedurende de laatste kwart eeuw in een veel geleidelijker tempo toegenomen en heeft zich over vrijwel het hele land verspreid. De recente groei vond vooral plaats buiten de oorspronkelijke kerngebieden van Noord-Holland en Friesland, eerst richting het rivieren- en Deltagebied, later ook naar de zandgronden. Daar zijn de dichtheden echter gewoonlijk laag. Ook bij onze zuider- en oosterburen is er sprake van een toename (Bauer & Berthold 1996).

De Kuifeend is veruit het talrijkst in agrarische gebieden met een wijd vertakt net aan oppervlaktewateren. De top lijkt hier te zijn bereikt rond 1990, daarna is er een zekere stabilisatie opgetreden. Maar per gebied kunnen er aanzienlijke verschillen zijn, die samenhangen met grondgebruik (intensieve veehouderij tegenover verruiging), grondwaterpeil en het slotenbeheer, waarbij regelmatige schoning en uitdieping belangrijk zijn (Zomerdijk 1991, Poelmans & van Diermen 1997). Het vaker maaien van wegbermen is nadelig voor deze eend. In moeras­gebieden, waar de dichtheden overigens achterblijven bij die in de kerngebieden en waar de Kuifeend zich ook meestal pas later heeft gevestigd, vlakt de opwaartse trend inmiddels eveneens af. De infiltratiegebieden in de duinen kenden opvallende fluctuaties. Zo groeide de populatie in de Amsterdamse Waterleidingduinen explosief vanaf begin jaren zestig, gevolgd door een dramatische daling halverwege de jaren tachtig. Vossen­predatie en mogelijk voedselconcurrentie van de toegenomen visstand waren hiervoor verantwoordelijk. Vergrassing en toename van andere prooidieren voor de vos (konijn) hebben weer tot een geleidelijk herstel geleid (van der Valk 1996).

Aantallen

Uitgaande van de schattingen per atlasblok (bijna 16.000 paren) kan de huidige broedpopulatie op 14.000-18.000 paren worden geschat. Tijdens de eerste atlas, medio jaren zeventig, ging het om minstens 6000 paren.

Bron

Auteur(s)

Zomerdijk, P.J.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.