Overslaan en naar de inhoud gaan

Brandgans Branta leucopsis

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Anatidae [familie]
Branta [genus] (8/1)
leucopsis [soort]

Voorkomen

StatusIncidenteel/Periodiek. Minder dan 10 jaar achtereen voortplanting en toevallige gasten. (1b)
Habitatland zoet marien
ReferentieZeldzame vogels van Nederland – Rare birds of the Netherlands. Avifauna van Nederland 1

Trend

Trend gehele periode: Sterke toename
Trend laatste 10 jaar: Sterke toename

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

Dat de Brandgans in bijna 150 atlasblokken (9%) als zekere of waarschijnlijke broedvogel is vastgesteld, mag verrassend worden genoemd. Bij het merendeel van de 64 blokken waar de soort als mogelijk broedend werd opgegeven, zal het gaan om (onvolwassen) overzomerende vogels, in veel gevallen stellig de voorbode van een nieuwe vestiging. Na het uitkomen van de eieren kunnen volwassen vogels zich met hun jongen lopend of zwemmend over vele kilometers verplaatsen. Hierdoor zijn misschien incidenteel vogels met jongen als zeker broedend meegeteld, terwijl het nest zich in een aangrenzend atlasblok bevond.

Gebieden met een redelijk aaneengesloten verspreiding zijn alleen in Laag-Nederland te vinden: Friesland, de Kop van Noord-Holland, enkele veenweidegebieden in Zuid-Holland en Utrecht, het rivierengebied en het noordelijk en oostelijk Deltagebied, vooral Haringvliet, Volkerakmeer, Zoommeer en Markiezaatsmeer. De provincies Groningen, Dren­the, Flevoland, Noord-Brabant en Limburg zijn nog grotendeels onbezet. Van de Waddeneilanden zijn alleen van Texel en Schiermonnikoog zekere broedgevallen bekend.

In driekwart van de bezette atlasblokken zijn minder dan vier paren vastgesteld. Blokken met tien of meer paren zijn aangetroffen in het Zwanenwater (35 paren in 2000; D. van Dijck pers. med.), Castricum (70 paren; G. Keijl pers. med.), de Zaanstreek, bij de Reeuwijkse Plassen en in het rivieren­gebied bij Brakel en op het stuweiland bij Driel (14 paren in 1999; K. Koffijberg pers. med.). In het Deltagebied waren er zelfs drie blokken met tenminste 100 broedparen.

Veranderingen

Vergeleken met 1973-77 is nauwelijks een groter verschil denkbaar: destijds ontbrak de soort namelijk nog als Nederlandse broedvogel! Sinds 1984 worden jaarlijks en in toenemende mate broedgevallen vastgesteld. Het gaat hier ongetwijfeld vooral om ontsnapte of losgelaten vogels uit watervogel­collecties en hun nakomelingen (Lensink 1996b), in het Delta­gebied in eerste instantie wellicht ook om aangeschoten wilde vogels en hun achterblijvende partners (Meininger & van Swelm 1994). Er zijn echter nog geen bewijzen dat ook vogels afkomstig uit Rusland of de Oostzee in Nederland tot broeden komen. Dat Zweedse vogels in de zomermaanden aanwezig kunnen zijn in Zuidwest-Nederland, blijkt uit een vogel met kleurringen in het Belgische Zwin op 2 augustus 1997; deze was als pullus geringd in mei 1994 op Storholmen, nabij Gotland (de Putter & Flamant 1997). Een broedvogel op de Hellegatsplaten in het Volkerakmeer, waarvan op 12 juni 1998 de ring werd afgelezen, bleek als met de hand opgefokt jong te zijn geringd in juni 1992 in Tynaarlo, Drenthe (gegevens RIKZ).

Vrijvliegende parkvogels hebben vanaf ongeveer 1984 gebroed in het Amsterdamse Bos, de Vlietlanden bij Vlaardingen (sinds 1986), Broekhuizen bij Leersum (vanaf 1989) en elders (Lensink 1996b). Het Deltagebied is echter de verreweg belangrijkste regio. De soort vestigde zich hier vanaf 1988, voornamelijk op een eiland in het Markiezaatsmeer, met 3-12 paren in 1988-93, 96 in 1996 en 160-255 in 1998-2001 (Meininger & van Swelm 1994, H. Bult & R.M. Teixeira pers. med.). In het noordelijk Delta­gebied ging het om minder dan 10 paren in 1988-93, 190 in 1998 en ruim 350 in 2000. Bolwerken hier zijn de Slijkplaat in het Haringvliet (in 1989-94 1-7 nesten, in 1996 34 en in 1998-2000 resp. 68, 92 en 133; gegevens RIKZ), de Scheelhoek­eilanden (in 1998-2000 resp. 5, 18 en 43 nesten; gegevens RIKZ) en de Beninger Slikken (1992-97 1-12 paren, 1998-99 32 paren; A. van der Heijden pers. med.). In het Volkerakmeer broeden Brandganzen vooral op enkele eilandjes op de Hellegatsplaten (1991-97 2-13 paren, in 1998-2000 resp. 56, 73 en meer dan 100) en op de Krib Midden-Hellegat (in 1994-1997 4-8 paren, in 1998-2000 resp. 10, 13 en 55) (gegevens RIKZ). In het Zwanen­water broedt de soort vanaf 1987 (11 paren in 1989, in 1997-2000 17, 22, 26 resp. 35) (Costers 1992, D. van Dijck pers. med.). In het rivierengebied verscheen de soort vanaf 1989 langs Rijn en Waal en sinds 1994 langs de IJssel bij Deventer en de Maas bij de Clauscentrale te Maasbracht (Lensink 1996b). Eveneens sinds 1994 zijn broedgevallen vastgesteld in de veenweidegebieden in Zuid-Holland en Utrecht (Ellenbroek 1994), alsmede op de grens van Overijssel en Friesland (Lensink 1996b).

Aantallen

In de atlasperiode namen de aantallen sterk toe. Tussen 1998 en 2000 groeide alleen al de populatie van het Deltagebied van 350 naar ruim 520 paren, terwijl hier in 2001 zelfs meer dan 830 paren broedden (Ouweneel 2001, RIKZ ongepubl.). De Nederlandse populatie, toegenomen van 1 paar in 1984 naar ruim 70 in 1994 (Lensink 1996b), werd in 2000 geschat op 750-1100 paren. Ook in aangrenzende landen heeft de soort zich inmiddels als broedvogel gevestigd, waaronder Vlaanderen (10-14 paren geteld in 1994-96, mogelijk ruim het dubbele aanwezig; Anselin et al. 1998) en Duitsland (vestiging in Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen vanaf 1994, 10 paren in 1995; Kretzschmar 1999).

Bron

Auteur(s)

Meininger, P. L.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.