Overslaan en naar de inhoud gaan

Mandarijneend Aix galericulata

Foto: Kees Venneker

Indeling

Anatidae [familie]
Aix [genus] (2/1)

Voorkomen

StatusExoot. Tussen 10 en 100 jaar zelfstandige handhaving. (2b)
Habitatland zoet
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

De Mandarijneend is in ruim 8% van de atlasblokken als waarschijnlijke of zekere broedvogel vastgesteld. In de enkele tientallen blokken met mogelijke broedgevallen kan het zowel gaan om rondzwervende vogels als solitaire broed­paren, die zich heimelijk gedragen.

De eerste succesvolle kern in Nederland is nog altijd als zo­da­nig herkenbaar: de Noordoost-Veluwe en het aangrenzende deel van het IJsseldal, waar Mandarijneenden broeden in oude bossen nabij sprengenbeken en op landgoederen met waterpartijen. Langs de Zuid-Veluwe ligt een tweede kern, die vermoedelijk voortkomt uit vogels van de Noordoost-Veluwe en niet uit parkeenden van Sonsbeek in Arnhem (contra Bijlsma et al. 2001). De uitgezette - en als zodanig herkenbare - eenden van Sonsbeek waren de kunst van succesvol broeden niet machtig (R. Lensink ongepubl.). Min of meer aansluitend op deze kern broeden Mandarijneenden in de Betuwe, waar ze gebruik maken van knotwilgen en parken (Bijlsma et al. 2001). Een derde kern bevindt zich in Midden-Limburg, aan weerszijden van de Maas tussen Swalmen en Venlo-Blerick. Deze populatie, gehuisvest in parken en bossen langs beken die op de Maas uitkomen, stamt uit eind jaren tachtig (Schaafstra & Boonstra 1999) en is gemist in het overzicht van Lensink (1996a). Voorts zijn er her en der kleinere kernen elders te vinden, zoals rond Haarlem, in het westen van Noord-Brabant en bij Brunssum en Kerkrade in Zuid-Limburg. Het voorkomen in de beekdalen van Twente, de Achterhoek en het midden van Noord-Brabant is verbrokkeld. Op de Waddeneilanden, in Flevoland en het Deltagebied ontbreekt de soort of is hij zeldzaam.

Veranderingen

Ten tijde van de vorige broedvogelatlas waren Mandarijneenden zeldzame broedvogels, met slechts 3-8 paren in 1973-77. De eerste permanente vestiging ontstond op de Noordoost-Veluwe in 1967. De populatiegroei hier is gestimuleerd door het ophangen van nestkasten. Elders in het land werden doorgaans geen speciale maatregelen voor de soort genomen, maar benutte de Mandarijneend wel geregeld uilenkasten. De vestiging in de omgeving van Haarlem en bij Schoorl dateert uit de eerste helft van de jaren tachtig. Halverwege dat decennium verscheen de soort ook op de Zuid-Veluwe, eind jaren tachtig in Midden-Limburg en westelijk Noord-Brabant. De eerste twee gevallen in de Achterhoek zijn in 1992 vastgesteld.

Mandarijneenden worden in Nederland veel in gevangenschap gehouden. Ontsnapte of uitgezette paren zorgden voor het ontstaan van verschillende kolonisatiekernen, van waaruit omringende gebieden bezet raakten.

Aantallen

Na de eerste gevallen in de jaren zestig en zeventig is het landelijk aantal broedparen toegenomen tot ongeveer 10 in 1983, 30 in 1989 en 110 in 1994. De schatting voor 1998-2000 komt uit op 200-260 paren, waarvan het gros voorkomt op de Noordoost-Veluwe (30-40), de Zuid-Veluwe en nabije delen van Betuwe en Utrechtse Heuvelrug (50-70) en Midden-Limburg (25-30). Van de kernen elders zijn die rond Haarlem (10-15), in Twente, de Achterhoek en Zuid-Limburg (ieder 5-10), midden en westelijk Noord-Brabant (10-15 resp. 20-25) het belangrijkst. De jaarlijkse toename van de populatie tussen 1983 en 2000 bedroeg 9%.

Bron

Auteur(s)

Lensink, R.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.