Overslaan en naar de inhoud gaan

Krooneend Netta rufina

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Anatidae [familie]
Netta [genus] (2/1)
rufina [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet brak marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Sterke toename
Trend laatste 10 jaar: Onzeker

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

De verspreidingskaart is in grote lijnen compleet, al kunnen her en der losse paren over het hoofd gezien zijn. Veel waarnemers denken namelijk dat Krooneenden laat in het seizoen broeden, waardoor gevestigde paren ten onrechte nog als doortrekkers worden beschouwd. Krooneenden arriveren al in februari-maart in de belangrijkste broedgebieden en starten in de tweede helft van maart en in april met de eileg. Late legsels of vervolglegsels vinden plaats tot in juni en zelfs begin juli.

De verspreiding in Nederland is beperkt tot enkele tientallen atlasblokken, met een duidelijk kerngebied in de Vinkeveense Plassen en directe omgeving (Botshol, Polder Demmerik). Dit zijn de gebieden waar de soort standhield rond de jaren tachtig, toen de landelijke populatie in een dal zat. In de atlasperiode was de populatie hier 70-80 paren groot. Ook elders in het Utrechts-Hollandse Vechtplassengebied broeden Krooneenden, maar in veel kleinere aantallen. Daarbuiten vormen de Rottemeren/Zevenhuizerplas (zh) sinds de jaren negentig de belangrijkste broedplaats met 5-10 paren. Recent zijn ook verschillende andere gebieden ge(her)koloniseerd, zoals enkele Randmeren (Drontermeer, Veluwemeer, Wolderwijd) en de Reeuwijkse Plassen (zh). Buiten de genoemde gebieden zijn voornamelijk incidentele broedgevallen bekend.

Op de broedplaatsen is de aanwezigheid van voldoende voedsel in de vorm van kranswieren of andere waterplanten een belangrijke voorwaarde voor vestiging. Het gaat doorgaans om open wateren met kleine eilanden en moerassige oevers. De nesten liggen meestal dicht bij de oever, in moerassige vegetaties of op droge bodem, maar vrijwel altijd onder dekking van takken of struiken. In juli start de vleugel­rui. Vrouwtjes met jongen ruien in het broedgebied, de overige vogels vormen groepen in gebieden met een overdaad aan kranswieren, zoals de Vinkeveense Plassen, de Gouwzee, het Veluwemeer en het Wolderwijd (van der Winden et al. 1994, Ruiters et al. 1994, S. Dirksen, M. Poot, J. van der Winden ongepubl.). De aantallen ruiers en het gebruik dat ze van genoemde gebieden maken, wisselen jaarlijks. Ook hier vormen de Vinkeveense Plassen de kern; het aantal ruiers hier ligt in de orde van grootte van het aantal broedparen.

Veranderingen

De Krooneend heeft zich vanaf de jaren dertig in Nederland gevestigd. Broeden werd in 1942 met zekerheid vastgesteld. Hoewel door sommigen aan de wilde herkomst wordt getwijfeld (Lensink 1996b) en het zeker is dat af en toe vogels uit watervogelcollecties de vrijheid krijgen, duidt niets op een volledig door introductie ontstane broedpopulatie. Integendeel, de Krooneend vestigde zich in Nederland, Noord-Duitsland en Denemarken in een tijdvak waarin de soort zich in geheel Europa naar het westen uitbreidde (Hagemeijer & Blair 1997). Dat ook vogels voor de kooi werden bemachtigd, is niet vreemd gezien het fraaie uiterlijk van de Krooneend. Niet toevallig vestigden de vogels zich zowel in Nederland als elders in West-Europa vooral in gebieden met veel kranswieren.

De Krooneend is in Nederland altijd een schaarse en weinig verspreide soort geweest. Tijdens de vorige atlasperiode, in 1973-77, waren er naar schatting 40-60 paren aanwezig. Kort daarop zakten de aantallen in, om eind jaren tachtig een dieptepunt te bereiken met slechts 6-15 paren. In het laatste decennium van de 20e eeuw namen de aantallen weer toe, eerst in het kerngebied de Vinkeveense Plassen, daarna ook elders. De veranderingskaart toont duidelijk de recente uitbreiding in West-Nederland, met de Rottemeren en de Reeuwijkse Plassen als belangrijkste nieuwe gebieden. Langs de Randmeren is de verspreiding ten opzichte van de vorige atlasperiode nog niet hersteld. Hier werden pas in de tweede helft van de jaren negentig weer broedgevallen gemeld, met oplopende aantallen vanaf 1999.

De sterke aantalschommelingen houden verband met veranderingen in het aanbod van waterplanten en dan vooral kranswieren. In de jaren zeventig en tachtig was het Nederlandse oppervlaktewater sterk geëutrofieerd en uit vele plassen verdwenen kranswieren en de bijbehorende Kroon­eenden als sneeuw voor de zon (Ruiters et al. 1994, van der Winden et al. 1994). Vanaf begin jaren negentig leidde verbetering van de waterkwaliteit in verschillende gebieden tot terugkeer of uitbreiding van kranswiervegetaties (Vinkeveense Plassen, Botshol, Randmeren). Gelijktijdig hiermee namen de aantallen Krooneenden toe en verbeterde het broedresultaat. In Vinkeveen produceerden de broedparen veel jongen, die in de nazomer profiteerden van de kranswieren aldaar en elders (Dirksen & van der Winden 1996).

Een recente aantalstoename wordt ook gemeld uit Zwitserland en Zuid-Duitsland. Na het herstel van waterplanten op een aantal grote meren (Lac de Neuchâtel, Vierwaldstätter See, Bodensee) verblijven hier vele duizenden Krooneenden in herfst en winter (Keller 2000a, 2000b, 2001). Het is aannemelijk dat het om een verplaatsing vanuit Spaanse gebieden gaat.

Aantallen

Naar schatting broedden er in de atlasperiode 120-170 paren in Nederland. Een verdere landelijke toename lijkt in het verschiet te liggen. Er is niet alleen een potentieel voor toename in gebieden waar de aantallen recent zijn gaan groeien (Randmeren, Reeuwijkse Plassen), maar ook daarbuiten.

Bron

Auteur(s)

Winden, J. van der, Dirksen, S.

Publicatie

  • SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.