Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Eider Somateria mollissima

Foto: Hans van der Meulen

Indeling

Anatidae [familie]
Somateria [genus] (2/1)
mollissima [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland marien
ReferentieAtlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Matige afname

Bron: Sovon, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

De verspreiding is vrijwel beperkt tot het Waddengebied, meer specifiek de eilanden aldaar. Daarbuiten komen Eiders alleen langs de Fries-Groningse Waddenkust regelmatig tot broeden, met name bij Holwerd en Hornhuizen, en op Neeltje Jans in de monding van de Oosterschelde. Incidentele broedgevallen in de atlasperiode zijn verder gemeld van het Forteiland bij IJmuiden (waarschijnlijk broedgeval in 1999; Cottaar 1999) en op de Maasvlakte (nestvondst 8e Petroleumhaven in 1999; N. van Swelm pers. med.). Verder werden in de broedtijd volwassen paren in potentiële broedhabitat gezien bij de Schelphoek op Schouwen (1999), in Saeftinge (1999) en op het Veluwemeer (2000).

Het tellen van eiderkolonies is een crime. Het zoeken van nesten kost veel tijd en is in de uitgestrekte broedterreinen alleen steekproefsgewijs te doen. Goed verborgen nesten worden ongetwijfeld gemist evenals paren die niet tot eileg komen, wat - net als bij Bergeenden - regelmatig voorkomt. Het extrapoleren van aantallen in steekproeven naar grotere gebieden is een hachelijke zaak, omdat de nestdichtheden pleksgewijs sterk verschillen: van echte kolonies tot zeer verspreide nesten. Beter te standaardiseren methoden, zoals het tellen van adulte mannetjes en vrouwtjes op of bij de broedplaatsen in april en mei, worden nog niet door alle terreinbeheerders toegepast. Met deze kanttekeningen in gedachten moet worden gekeken naar de kaart met aantalsopgaven. Belangrijke concentraties bevinden zich op noordelijk Texel, in de duinen van Vlieland, de Boschplaat op Terschelling, de Oerderduinen en De Hon op Ameland, de Oosterkwelder op Schiermonnikoog en op Griend, Rottumeroog en Rottumerplaat. Terschelling, Vlieland en Schiermonnikoog herbergen ieder 2000-3500 paren, Rottumerplaat rond 1000. Buiten de Waddeneilanden broeden slechts enkele tientallen paren. Binnen de internationale Waddenzee is het belang van de Nederlandse broedplaatsen groot. In 1996 broedde slechts 13% van de broedparen in het Duitse en Deense deel van het Waddengebied (Rasmussen et al. 2000). 

Veranderingen

De verspreiding is sinds de vorige atlas iets verruimd. Op Neeltje Jans is het eerste nest gevonden in 1987 (Sluijter 1988). Sindsdien broedt de soort hier geregeld op dijken en pieren, met een maximum van 32 aanwezige paren en 17 gevonden nesten in 2000. De broedvogels foerageren ter plaatse, vaak op de aangroei van de dijken. Het broedsucces is over het algemeen laag (P. Wolf pers. med.). De vestiging op de Fries-Groningse kwelders stamt vermoedelijk van begin jaren negentig. Op de Waddeneilanden bleef de verspreiding ongewijzigd, maar namen de aantallen in de afgelopen kwart eeuw toe. De groei zit hem hier vooral in de kolonies op Schiermonnikoog, Rottumeroog en Rottumerplaat en in mindere mate die van Griend en Terschelling. Sinds midden jaren negentig lijkt de waddenpopulatie zijn plafond te hebben bereikt. Steekproefsgewijze tellingen wijzen zelfs op een geringe afname in 1998 en 1999, en een forse inzinking in 2000 (Dijksen & Koks 2001a). Onderzoek op Griend wijst op een gering broedsucces in 2000 (Oosterhuis & Heideveld 2000). Voeg hierbij de sterfte van liefst 21.000 door ondervoeding en parasieten verzwakte Eiders in de Waddenzee tussen november 1999 en juni 2000 (deels overigens vogels van buiten Nederland), en een negatief beeld dringt zich op. De oorzaak hiervoor is waarschijnlijk gelegen in structurele overbevissing van de natuurlijke kokkel- en mosselbestanden in de Nederlandse Waddenzee, in combinatie met een serie zachte winters die tot een geringe broedval van genoemde schelpdieren leidden (Piersma & Camphuysen 2001). Omdat het bestand aan ‘wilde’ mossels nu sterk gereduceerd is, worden - tot verdriet van de vissers - de commerciële mosselcultures steeds belangrijker voor de Eider. Daar komt nog bij dat ook de gewone strandschelpen in de Noordzee, die de Eiders als alternatief voedsel dienen, sedert eind jaren negentig zwaar bevist worden. Nu bewezen is dat mechanische bodemvisserij de populaties van veel schelpdieren voor langere tijd schaadt (Piersma et al. in press), rest de conclusie dat de toekomst van de Eider er somber uitziet. Dit ondanks een van overheidswege ingesteld en officieel toereikend quotum aan beschikbare schelpdieren voor Eiders en andere schelpdier­eters.

Aantallen

Momenteel broeden naar schatting 8000-10.000 paren in ons land, ruim een verdubbeling ten opzichte van de vorige atlas (4000 paren in 1976).

Bron

Auteur(s)

Vergeer, J.-W., Dijksen, L.

Publicatie