Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris

Foto: Marion Haarsma

Indeling

Salamandridae [familie]
Lissotriton [genus] (2/2)
vulgaris [soort]

Habitat

De kleine watersalamander is een soort met een brede keuze aan habitats. De soort wordt in Nederland in vrijwel alle landschapstypen aangetroffen.

In het ravon-databestand t/m 2005 zijn 1555 van de 30.614 waarnemingen voorzien van een landhabitatcodering (5,1%). Deze coderingen bevestigen grotendeels het beeld dat de kleine watersalamander een soort is die in vrijwel alle landschapstypen voorkomt. Alleen hoogveen wordt duidelijk gemeden. Ook in de keuze van voortplantingswateren is de soort niet kritisch. Alleen groot open water en grote lijnvormige wateren worden gemeden. Deze zijn doorgaans bezet met vis en bevatten nauwelijks geschikte oevers voor de soort. De soort is deels cultuurvolgend en dringt ook door tot in habitats in steden en dorpen, zoals sloten en park- en tuinvijvers.

Van de 30.614 waarnemingen zijn er 4726 voorzien van een waterhabitatcodering (15,4%). De kleine watersalamander komt voor in ondiepe en stilstaande tot zwakstromende wateren, waaronder poelen, vijvers, laaglandbeken, sloten, drinkbakken, groeven, duinwateren, beekbegeleidende wateren en ook wel de dichtbegroeide oeverzone van grotere wateren, zoals van weteringen, meren, strangen en kolken. Goede voortplantingswateren zijn grotendeels onbeschaduwd, sterk begroeid met water- en oeverplanten en bij voorkeur met weinig of geen vissen.

De kleine watersalamander wordt vooral aangetroffen in wateren met een pH>5. Bij voorkeur worden van nature voedselrijke en goed gebufferde en kalkrijke (kwel)wateren betrokken. (Beebee 1981, Buschendorf & Günther 1996, Cooke & Frazer 1976, Hoogerwerf & Crombaghs 1992, Leuven et al. 1986, Marnell 1998).

Zeer zure (pH<5,3) en voedselarme wateren, zoals vennen op de hogere zandgronden en hoogveenwateren, zijn vaak niet bevolkt door kleine watersalamanders (Dolmen et al. 2008, Griffiths & De Wijer 1994, Lenders 1989a, Leuven et al. 1986). In vennen kan de soort door verzuring achteruitgaan (Lenders 2005a). Voortplanting kan in licht brakke wateren plaats vinden, zolang de zoutconcentratie niet hoger is dan 500 mg Cl-/liter (Bergmans & Zuiderwijk 1986). Van Laar (2005) trof op Texel echter alleen dieren aan in wateren met minder dan 300 mg Cl-/liter. De soort komt in stedelijk gebied voor, waar hij prima gedijt in park- en tuinvijvers.

De voortplantingswateren in het landelijke gebied liggen meestal in grotendeels open (weilanden) tot halfopen landschap met een zekere mate van bos- of struikvegetaties en ruigten, die van belang zijn als land- en overwinteringshabitat. Onder andere braamstruwelen, heggen, takkenbossen, steenhopen en knotwilgen dienen als schuilplaats op het land. Lijnvormige landschapselementen vervullen een geleidende functie in het landschap (Grooten & Van Gelder 1993). De dieren overwinteren zowel alleen als gezamenlijk in koele, vorstvrije en vochtige ruimten, waaronder muizenholen, rottende blad- of composthopen, verlaten mierennesten, tussen boomwortels, omgevallen bomen, stenen en steenhopen, schuren, bunkers, kelders, kassen en in spleten van muren of hout. De dieren bevinden zich op het land meestal niet verder dan 500 m van het voortplantingswater.

Begeleidende soorten

Alle reptielen- en amfibieënsoorten kunnen samen met de kleine watersalamander worden aangetroffen. De soort is dan ook verspreid over het hele land en in zeer uiteenlopende habitats aan te treffen. Bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en groene kikkers zijn de belangrijkste karakteristieke begeleiders. Het zijn zeer algemene en ruim verspreide soorten met een brede habitatkeuze. Ook de verspreiding van kamsalamander, heikikker en levendbarende hagedis blijkt een relatief grote overlap te vertonen met de verspreiding van de kleine watersalamander.

Bron

Auteur(s)

Maanen, E. van

Publicatie