Overslaan en naar de inhoud gaan

Vuursalamander Salamandra salamandra

Foto: Marlies Bakker

Indeling

Salamandra [genus]
(1 soorten in totaal / 1 gevestigd)
salamandra [soort] (1/1)

Habitat

De habitat van de ondersoort S. s. terrrestris wordt in grote lijnen gekarakteriseerd als loofbos, doorsneden met bronbeekjes en vaak gesitueerd in heuvelachtige gebieden (Griffiths 1996, Nöllert & Nöllert 1992, Thiesmeier & Günther 1996). Ook in Nederland geldt deze habitattypering.

In het ravon-databestand t/m 2005 zijn 29 van de 1173 waarnemingen voorzien van een landhabitatcodering (2%). Daarbij is bos en struweel de meest voorkomende habitattypering. Daarnaast zijn ook waarnemingen verricht op wegen en langs spoorlijnen (infrastructuur) en op overgangen naar agrarisch gebied en halfnatuurlijke graslanden.

Van de 1173 waarnemingen zijn er 16 voorzien van een waterhabitatcodering (1%). Watertypen waarin de vuursalamander in bovengenoemde landschapstypen voorkomt zijn vooral bronnen en beekjes en sloten nabij het Bunderbos.

De vuursalamander wordt aangetroffen op enkele plaatsen in het Zuid-Limburgse heuvelland, daar waar droog tot vochtig hellingbos, nat bronbos en bronnen en bronbeekjes naast en door elkaar voorkomen.

In de periode dat de larven worden afgezet, zijn vaak concentraties van drachtige vrouwtjes aan te treffen in kwelzones, waar grondwater heel diffuus uittreedt (helokreenachtige bronsituaties), óf in beekverbredingen (eigen waarnemingen). In beide situaties is de waterdiepte meestal slechts enkele millimeters. Of de vrouwtjes op weg zijn naar afzetlocaties of ook in dit ondiepe water larven afzetten is niet duidelijk. Larven worden over het algemeen afgezet in bronbeekjes: heldere, koele, stromende en zuurstofrijke wateren. De afzetlocaties betreffen vooral plekken in de beek met relatief langzaam stromend water, bijvoorbeeld in binnenbochten, in stroomkommetjes, in éénzijdig aangetakte oude beekmeanders en in door stenen, takken of bladeren veroorzaakte opstuwingen. De waterdiepte bedraagt doorgaans meer dan 2 cm. Ook bronputten en door grondwater gevoede bossloten en bospoelen worden benut om larven in af te zetten. Soms worden larven aangetroffen op plekken waar ze niet zijn afgezet, maar waar ze via het stromende beekwater terecht zijn gekomen, bijvoorbeeld in de eerder genoemde zandvangbekkens en tuinvijvers, maar vermoedelijk ook in door bronbeekjes gevoede weilandpoelen in het zuidelijke Geuldal. Wanneer op deze plekken de predatiedruk niet te groot is (geen vissen, geen of nauwelijks libellenlarven) en er mogelijkheden zijn voor juvenielen om het water te verlaten, kunnen vuursalamanderlarven er vaak prima tot ontwikkeling komen (eigen waarnemingen).

De vuursalamander leeft op het land overwegend in het bos of aan de bosrand. Met uitzondering van de perioden waarin de larven worden afgezet en vrouwelijke dieren naar de beken toetrekken én de periode dat juveniele salamanders vanuit het water het land optrekken, leeft de vuursalamander meestal niet in de onmiddellijke nabijheid van beken. Een groot deel van de populatie houdt zich op in de relatief drogere delen van het leefgebied (Thiesmeier 1992a, Thiesmeier & Günther 1996). De schuilplaatsen waarin de dieren zich overdag ophouden zijn veelal gelegen in het hellingbos, op bosplateaus, in de drogere delen van het bronbos, etc. Ze dienen koel en vochtig te zijn, natte plekken worden gemeden. Als schuilplek worden de meest uiteenlopende locaties/objecten benut. In het Bunderbos zijn vuursalamanders onder andere aangetroffen in en onder (verrotte) boomstronken, tussen boomwortels, onder bladeren, in bodemscheuren, in muizenholen, onder en tussen stenen, in stapelmuurtjes, onder bruggen en in betonnen buizen. Vrijwel alle schuilplekken zijn in het bos gelegen. Langs de beekjes in het zuidelijke Geuldal zijn vuursalamanders soms ook waargenomen op open plekken buiten het bos, meestal in weilanden onder stenen of boomstronken.

De schuilplaatsen die benut worden om te overwinteren zijn, voor zover deze vorstvrij zijn, vaak dezelfde als of liggen in de directe omgeving van de schuilplaatsen die in het voorjaar en de zomer gebruikt worden (Gubbels 1992, Seifert 1991). In verband met de koude kruipen de dieren in de winter over het algemeen dieper weg. De buiten het bos gelegen overwinteringsplaatsen in de directe nabijheid van menselijke bewoning betreffen kelders, schuurtjes, afvalhopen en drainagestelsels (Gubbels 1992, pers. med. diverse bewoners).

Net als de schuilplaatsen liggen ook de foerageerplekken meestal verder van de beek af. Er lijkt een zekere voorkeur te bestaan voor meer open plekken als bospaadjes, open plekken in het bos, bosranden en aan het bos grenzende wegen en weilanden (Feldmann & Klewen 1981, Gubbels 1992, Klewen 1988a, Thiesmeier 1992a).

Begeleidende soorten

Alpenwatersalamander, bruine kikker en gewone pad zijn de belangrijkste alledaagse begeleiders. Hazelworm en levendbarende hagedis zijn de begeleidende reptielensoorten. De schaarse vinpootsalamander en vroedmeesterpad komen ook opvallend vaak in kilometerhokken met vuursalamanders voor. De begeleiders zijn deels soorten die (tamelijk) ruim verspreid zijn in het Limburgse heuvelland en die deels sterk aan bos zijn gebonden. Vanwege de zeldzaamheid van de vuursalamander zijn er geen karakteristieke begeleiders aan te wijzen.

 

Bron

Auteur(s)

Gubbels, R.E.M.B.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.