Overslaan en naar de inhoud gaan

Vuursalamander Salamandra salamandra

Foto: Marlies Bakker

Indeling

Salamandra [genus]
(1 soorten in totaal / 1 gevestigd)
salamandra [soort] (1/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieWaarnemingen overzicht 2002
ExpertCreemers, R.C.M. (RAVON)

statusInheems (1a)
habitatland zoet
referentieRAVON 2004
expertJeroen van Delft (RAVON)
status sinds 1982Nog te bepalen

Areaal

Het areaal van de vuursalamander strekt zich uit van het uiterste noorden van Duitsland, oostelijk via Zuid-Polen, Oekraïne, Roemenië en Bulgarije tot in Griekenland. De exacte grenzen in deze landen zijn niet goed bekend. De westgrens loopt via het zuiden van Nederland en door België. De soort komt in vrijwel geheel Frankrijk voor en in grote delen van het Iberisch Schiereiland, en tot in het zuiden van Italië en op de Balkan. In de Alpen en in Hongarije zijn grote gebieden onbezet (Thiesmeier 2004).

Het aantal ondersoorten is aan enige discussie onderhevig, maar omvat minimaal elf duidelijk te onderscheiden vormen (Thiesmeier 2004). In Noord-Afrika, Corsica en het Midden-Oosten komen andere soorten voor die voorheen als ondersoorten werden beschouwd (Steinfartz et al. 2000, Thiesmeier 2004, Veith 1994). De in Nederland voorkomende ondersoort Salamandra salamandra terrestris komt ook voor in België en in Frankrijk tot aan de Pyreneeën, en in Spanje in Catalonië. De west- en noordzijde van de Alpen worden ook door deze ondersoort bezet evenals de westelijke en noordelijke delen van Duitsland. In het zuiden en oosten van Duitsland bevindt zich een overgangszone met de oostelijke nominaatvorm S. s. salamandra (Thiesmeier 2004).

In de aan Nederland grenzende delen van België en Duitsland komt de vuursalamander voor in respectievelijk de Voerstreek, ten zuidoosten van Vaals, ten zuiden van Winterswijk en ten oosten van Denekamp en Losser (Bauwens & Claus 1996, Schops 1999, Thiesmeier & Günther 1996).

De meeste Europese populaties bevinden zich op hoogten tussen de 200 en 1000 m, maar er zijn vindplaatsen tot op 2000 m hoogte bekend (Gasc et al. 1997).

Verspreiding in Nederland

De vuursalamander komt tegenwoordig uitsluitend voor in het Zuid-Limburgs district. De grootste Nederlandse populatie leeft in het Bunderbos. In het zuidelijke Geuldal is de soort verspreid aanwezig. Aan de voet van de Putberg te Ubachsberg weet zich al sinds 1993 een uitgezette populatie te handhaven. Mogelijk is ook in de Achterhoek een populatie aanwezig geweest (rond 1920).

Deze aantrekkelijke soort werd vaak in terraria gehouden en er hebben veel uitzettingen plaatsgevonden. Vanwege de grote zeldzaamheid zijn in de literatuur waarnemingen in veel gevallen steeds opnieuw geciteerd, soms met een ander jaartal, waardoor de suggestie ontstond dat er een reeks van waarnemingen in een gebied is gedaan. Verwarrend is ook dat de Alpenwatersalamander op veel plaatsen in Limburg en de kamsalamander in Oost-Nederland wel met ‘vuursalamander’ worden aangeduid. De habitateisen van de vuursalamander zijn zo strikt, dat ook op grond van de aanwezige habitat enkele meldingen zijn afgekeurd.

Voor 1971

De eerste vondsten van de vuursalamander in Nederland zijn afkomstig uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Als vindplaatsen worden Nijmegen, Arnhem en Oosterbeek genoemd (Van Bemmelen 1862, Schlegel 1862), maar deze zijn door de waarnemingencommissie afgekeurd. Er waren in die tijd geen geschikte determinatiewerken en bovendien zijn de waarnemingen hoogstwaarschijnlijk niet door de auteurs zelf gedaan. Zuid-Limburg wordt hierbij niet eens genoemd. De documentatie is te beperkt en onvoldoende overtuigend. Mogelijk is er sprake van verwarring met andere salamanders.

Ook waarnemingen uit Hummelo (ge, 1902), Ootmarsum/Denekamp (ov, 1915), Oosterbeek (ge, 1948), Rolduc-Kerkrade (li, 1915), Maalbroek (Blankwater) (li, 1969) en herhaaldelijk geciteerde ‘waarnemingen’ uit Winterswijk (1970) worden beschouwd als onvoldoende betrouwbaar of als uitzettingen. De soort wordt verder gemeld uit Welten (li, 1950) en Berg en Dal (ge, 1956, 1960, 1962). Vanwege de ongeschiktheid van de aanwezige habitat en/of duidelijke aanwijzingen van uitzetting, worden deze locaties niet gezien als natuurlijke vindplaatsen. In Welten betreft het een eenmalige waarneming en blijkt de soort bij navraag niet bekend bij de bevolking. Op de bekende vindplaatsen is de vuursalamander altijd goed bekend. Bij Berg en Dal is geschikte habitat aanwezig, maar er is slechts één onbetwist betrouwbare waarneming gedaan: in 1956 is er een exemplaar van S. s. terrestris gevangen. In de nabijheid woonde echter een kweker van amfibieën, die ook Zuid-Limburgse soorten in zijn bezit had (Jan van Gelder pers. med.). Bij de waarneming uit Hummelo geeft de waarnemer zelf al aan dat het een uitzetting betreft (Hesselink 1904). De omschrijving van de vondst bij vijvers in Rolduc (‘huist er’) is dermate vaag dat er gerede twijfels zijn over een natuurlijk voorkomen van vuursalamanders op deze plek.

In 1920 wordt een vuursalamander verzameld bij Winterswijk (collectie Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, rmnh 10093), mogelijk in uurhok 4126. In latere jaren zijn hier geen overtuigende waarnemingen gedaan; wel is de vondst van 1920 tweemaal geciteerd. Aan de Duitse zijde zijn in deze omgeving al enkele decennia vuursalamanders bekend (Feldmann & Klewen 1981, Thiesmeier & Günther 1996). Enkele Nederlandse waarnemers hebben bovendien, minder dan 2 km over de grens bij Aalten-Bredevoort, in de jaren 90 een Duitse populatie ontdekt. Het is onduidelijk of het gevonden dier bij Winterswijk in het goede uurhok is geplaatst. Het uurhok 4135 sluit beter aan op het huidige Duitse verspreiding dan het uurhok 4126, waaraan de vondst in het verleden is toegekend. Verder is onduidelijk of het dier deel uitmaakte van een Nederlandse populatie of dat het een zwervend exemplaar uit de Duitse populatie betrof. Het is niet uitgesloten dat zwervende dieren vanuit de Duitse populatie de Achterhoek bereiken. Latere geruchten van vuursalamanders op Nederlands grondgebied aldaar lijken overigens alle gebaseerd op herhaalde verwijzingen naar eerdere meldingen.

De eerste betrouwbare, gedocumenteerde waarnemingen van de vuursalamander in Zuid-Limburg worden verricht vanaf het begin van de twintigste eeuw. Zowel uit het Bunderbos als uit de omgeving Epen (Cottesserbeek, Belletbeek en Berversbergbeek) wordt de soort rond 1915-1920 gemeld (Bergmans & Zuiderwijk 1986, Gubbels 1992).

In 1924 wordt nabij de Grensmaas, ter hoogte van Meers, een vuursalamander aangetroffen. Er is in dit deel van het Maasdal zeker geen populatie aanwezig. Mogelijk is het exemplaar afkomstig uit het op 5 km afstand gelegen Bunderbos. Diverse bronbeekjes uit dit bos wateren af naar de Grensmaas. Verspreiding via bronbeekjes is een bij de vuursalamander bekend fenomeen (Thiesmeier 1990a) en is ook van het Bunderbos bekend (Gubbels 1992). Opmerkelijk is dat in de jaren 90 op vrijwel dezelfde locatie langs de Grensmaas wederom een, in dit geval dode, vuursalamander wordt aangetroffen en verzameld (W. Hendrix pers. med.).

De waarneming bij Breust-Eijsden (1912) is als betrouwbaar beoordeeld, maar er was ook in het begin van de twintigste eeuw waarschijnlijk onvoldoende geschikte habitat aanwezig. Het Savelsbos was ook toen te droog. Mogelijk betreft het een exemplaar dat via de Voer uit de Belgische Voerstreek was afgedreven. Later zijn in dit uurhok nooit meer vuursalamanders gevonden.

Bij Mheer/Noorbeek, niet ver van de Belgische grens, is een waarneming bekend uit 1914. In de aangrenzende Voerstreek wordt de soort ook recent nog aangetroffen (Bauwens & Claus 1996, Schops 1999). Mogelijk is het dier daarvandaan afkomstig of is er een grensoverschrijdende populatie aanwezig geweest.

1971-1995

Ook in deze periode wordt de vuursalamander waargenomen op de twee bekende locaties in Zuid-Limburg. Door intensief en systematisch onderzoek aan de populatie vuursalamanders in het Bunderbos en in mindere mate ook aan de Geuldalpopulatie, wordt de exacte verspreiding duidelijk. Tevens worden, op het eind van deze periode, veel gegevens verzameld over de aard en grootte van de populaties (Gubbels 1988b, 1992, 1994). De populatie in het Bunderbos strekt zich uit vanaf het dorp Geulle tot aan Bunde en bezet zes kilometerhokken. Deze populatie is vitaal en bestaat uit vele honderden dieren. In het meest noordelijke deel van dit bronbossencomplex, nabij Elsloo, ontbreekt de soort. De melding uit 1985 van een vuursalamander uit dit noordelijke deel van het bos, het Terhagerputje, blijkt te berusten op een foute determinatie.

De Geuldalpopulatie omvat in deze periode acht kilometerhokken, de populatieomvang is echter minder groot dan in het Bunderbos. In het zuidelijke Geuldal zijn vuursalamanders waargenomen langs een zestal bronbeekjes: Cottesserbeek, Berversbergbeek, Belletbeek, Klitserbeek, Mässel en Bommerigerbeek. Populaties van tientallen dieren zijn aanwezig langs de vier eerstgenoemde beekjes. Langs de Mässel en Bommerigerbeek worden incidenteel vuursalamanders waargenomen.

De volgende vindplaatsen in deze periode zijn als onbetrouwbaar of als niet aangeslagen uitzetting beoordeeld: Winterswijk (ge, 1974, 1981; herhaalde verwijzingen naar de wel betrouwbare waarneming uit 1920), Ootmarsum (ov, 1973, 1981), Brunssum (li, voor 1973, 1975), Laren (ge, 1974, 1975), Markelo (ov, 1975), Boukoul (li, 1980), Gerendal (li, 1980), Schaelsberg bij Walem (li, 1980), Wylre (li, 1980), ten noordoosten van Oldenzaal (ov, 1982), Harfsen (ge, 1983), Limbricht (li) (Grasbroek, 1983, negen vuursalamanders uitgezet vanuit Monschau, Duitsland), Simpelveld (li, 1984), Strijthagen (li, midden jaren 80; kasteel: acht vuursalamanders uitgezet vanuit België), Velp (ge, 1988), Arnhem (gl, 1988; tuin), Putten (ge, 1989; camping), Crapoel (1991), Caumerbeekdal in Heerlen (1990/1991) en Maastricht (midden jaren 90).

Op de Putberg zijn omstreeks 1993 vuursalamanders uit de Ardennen uitgezet. De dieren worden sinds 1994 jaarlijks waargenomen (Janssen & Huijgens 2001).

1996-2007

De populatie in het Bunderbos beslaat in deze periode acht kilometerhokken. Aan de oostrand van het bos zijn uit twee ‘nieuwe’ kilometerhokken waarnemingen bekend geworden. De Geuldalpopulatie omvat zes bezette kilometerhokken. Uit twee kilometerhokken die in de vorige periode nog bezet waren, zijn nu geen waarnemingen meer bekend.

In 1998 wordt een ingedroogde vuursalamander gevonden en verzameld tussen het grind van de Grensmaas ter hoogte van Meers (W. Hendrix pers. med.). Dat exemplaar zou over grote afstand meegevoerd kunnen zijn door de Maas en is dan ook niet op kaart opgenomen. Zoals reeds eerder gesteld bij de waarneming uit 1924 (op vrijwel dezelfde locatie) kan niet worden uitgesloten dat het een afgedreven exemplaar uit het Bunderbos betreft.

Als onbetrouwbare Limburgse vindplaatsen en uitzettingen kunnen worden genoemd: Rothem (1997), Valkenburg (eind jaren 90), Sittard (1991, 2000), Cadier en Keer (2001), Elsloo (2002; centrum van het dorp). Hardnekkige geruchten over populaties in de Achterhoek, Twente en bij Berg en Dal blijven ook in deze periode opduiken, maar kunnen nimmer bevestigd worden.

Op de Putberg blijkt de uitgezette populatie levensvatbaar. Er is een klein oppervlakte geschikt leefgebied aanwezig, waar zich een voortplantende populatie heeft gevestigd die tot op heden standhoudt.

Bron

Auteur(s)

Gubbels, R.E.M.B.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.