Overslaan en naar de inhoud gaan

Kamsalamander Triturus cristatus

Foto: Petra Fleurbaaij

Indeling

Salamandridae [familie]
Triturus [genus] (2/2)
cristatus [soort]

Habitat

Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater (Denton 1990b, Swan & Oldham 1993). Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor. Ze komen relatief veel voor langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen (Creemers 1991, Lenders 1992a, Swan & Oldham 1993).

Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten. In het rivierengebied komt de soort voor in zelden overstromende (laagdynamische) strangen, kleiputten en kolken.

In het ravon-databestand t/m 2005 zijn 346 van de 7289 waarnemingen voorzien van een landhabitatcodering (5%). De kamsalamander is goed vertegenwoordigd in de overgangen van agrarisch gebied (en halfnatuurlijk grasland) naar bos. Dit betreft veelal het kleinschalige cultuurlandschap in delen van Oost- en Zuid-Nederland. De soort mijdt stedelijk gebied en komt op de heide (mogelijk te voedselarm) minder vaak voor. De enkele waarnemingen in en rond hoogveengebieden betreffen voornamelijk bijzondere kwelsituaties in het Korenburgerveen (ge) en Haaksbergerveen (ov). Kamsalamanders worden opvallend vaak als verkeersslachtoffer gemeld, vooral op de wegen op dijken langs de Waal en Nederrijn/Lek, in overeenstemming met het verspreidingszwaartepunt langs de grote rivieren.

Van de 7289 waarnemingen zijn er 1202 voorzien van een waterhabitatcodering (16%). De kamsalamander bezet in bovengenoemde landschapstypen poelen en andere kleine wateren. Vennen, sloten en weteringen worden aanzienlijk minder vaak opgegeven.

De kamsalamander heeft een voorkeur voor relatief grote, diepe en stilstaande geïsoleerde wateren. Die wateren zijn ten minste gedeeltelijk begroeid met waterplanten, niet verontreinigd en bevatten gewoonlijk geen vis. De ideale wateren combineren dichte watervegetaties om te schuilen en voor de eiafzet met open plekken voor de paring. De wateren zijn dieper dan 50 cm, en vallen zelden droog (Van der Sluis & Bugter 2000, Swan & Oldham 1993,

Zuiderwijk 1984). Andere gunstige kenmerken zijn de afwezigheid van watervogels (eenden en ganzen), een beperkte beschaduwing en de aanwezigheid van andere wateren te midden van geschikte landhabitats, zoals bos of struweel, extensief beheerd weiland, tuinen en dergelijke (Joly et al. 2001, Oldham et al. 2000). Kamsalamanders worden weinig aangetroffen in zure, voedselarme (oligotrofe) vennen, tuinvijvers en ondiepe, niet begroeide wateren. Volledig beschaduwde bospoelen worden weinig gebruikt, maar enige beschaduwing is soms inherent aan de landhabitat van de soort.

Wanneer de dieren na het voortplantingsseizoen het water hebben verlaten, kunnen ze worden gevonden onder stenen, hout, bladafval, in gaten onder wortels en in holen van kleine zoogdieren (Sinsch 1989, Verrell 1985a). De dieren kunnen tot een meter diep voorkomen en vertonen de neiging tot samenscholen. De overwinteringsplaatsen zijn vochtig. Het vermoeden bestaat dat ze de schuilplekken van voorgaande jaren terugvinden (Czeloth 1931, Grosse & Günther 1996, Kabisch 1975, Kowalewski 1974). Uit een studie met van zendertjes voorziene volwassen kamsalamanders bleek dat de meeste dieren in de directe omgeving van het voortplantingswater bleven en dat geen dier zich verder dan 100 m van de oever verwijderde. Plekken met bosjes, hagen en bomen hebben de voorkeur boven weiland en ander open terrein (Jehle 2000, Jehle & Arntzen 2000, Malmgren 2001, Stoefer & Schneeweiß 2001). In situaties waar geschikte landhabitats niet in de directe omgeving van het water liggen, kunnen de dieren wel zo’n 1000 m afleggen tussen water- en landhabitat (Stoefer 1997). Ook is overwintering van kamsalamanders in het water of onder het ijs bekend (Feldmann 1981, Hagström 1982, Smith 1954, Steward 1966).

Begeleidende soorten

Met name de algemene amfibieënsoorten worden veel bij de kamsalamander aangetroffen, met een opvallend hoge score voor de kleine watersalamander. Deze soort is vrijwel altijd wel te vinden op of nabij een vindplaats van de kamsalamander. Beide soorten prefereren matig voedselrijke en zonnig gelegen wateren. De poelkikker is zowel in het rivierengebied, als in het kleinschalig cultuurlandschap en in licht verrijkte vennen een karakteristieke begeleider van de kamsalamander.

Bron

Auteur(s)

Smit, G.F.J, Arntzen, J.W.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.